Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5434

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/692146 / FA RK 25-7270
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige na echtscheiding

De rechtbank Den Haag behandelde op 23 januari 2026 een gecombineerde procedure over de hoofdverblijfplaats, zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie van minderjarige [minderjarige 2]. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem en om de kinderalimentatie per 13 februari 2025 op nihil te stellen. De moeder verzocht het hoofdverblijf bij haar te handhaven en een zorgregeling waarbij het kind om de week bij de vader verblijft.

De rechtbank overwoog dat de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen en dat in het ouderschapsplan was vastgelegd dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder is. De tijdelijke toename van verblijf bij de vader rechtvaardigt geen wijziging van de hoofdverblijfplaats. Wel is een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind om de week wisselend bij beide ouders verblijft.

Met betrekking tot de kinderalimentatie oordeelde de rechtbank dat een nihilstelling te ver gaat omdat de moeder ook verblijfsoverstijgende kosten heeft gemaakt. Omdat geen verzoek tot herberekening was ingediend, werd het verzoek afgewezen. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder blijft, stelt een co-ouderschapsregeling vast en wijst het verzoek tot nihilstelling van kinderalimentatie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-7270 (voorlopige voorzieningen)
FA RK 25-7266 (bodemprocedure)
Zaaknummers: C/09/692146 (voorlopige voorzieningen)
C/09/692141 (bodemprocedure)
Datum beschikking: 13 februari 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en voorlopige voorziening op grond van 223 Rv

Beschikking op het op 24 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Bluts in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat in 's-Gravenhage.

Procedure

Voorlopige voorzieningenprocedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 6 november 2025.
Bodemprocedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 31 oktober 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 6 november 2025;
  • het bericht van 13 januari 2026 van de moeder, met bijlagen, waarin zij verzoeken doet;
  • het bericht van 16 januari 2026 van de vader, met bijlage;
De minderjarige [minderjarige 2] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vindt.
Op 23 januari 2026 zijn de zaken
gecombineerdop de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2010.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP) staat [minderjarige 1] ingeschreven op het adres bij de moeder, en staat [minderjarige 2] ingeschreven op het adres bij de vader.
  • Bij beschikking van 28 april 2010 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – :
  • de echtscheiding uitgesproken tussen de ouders;
  • opgenomen de door de ouders getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan de beschikking gehechte convenant;
  • bepaald dat de vader, voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
  • met ingang van 1 maart 2010, aan de moeder, die de kinderen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 237,50 per maand per kind,
  • met ingang van de dag dat de ouders zelfstandig woonruimte hebben, aan de moeder, die de kinderen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 272,50 per maand per kind,
welke bijdrage steeds vóór of uiterlijk op de eerste dag van de maand waarop deze betrekking heeft door de moeder moet zijn ontvangen.
- In het ouderschapsplan hebben de ouders in artikel 2.2 vastgelegd dat de kinderen feitelijk zullen verblijven bij de moeder.

Verzoek en verweer

Voorlopige voorzieningenprocedure
De vader verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van de hoofdzaak:
- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 april 2010 met kenmerk 364307 FA RK 10-3025 te schorsen dan wel te bepalen dat deze niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang niet definitief op het verzoek in de hoofdzaak is beslist, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure,
althans zodanige regelingen te treffen als de rechtbank juist acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bodemprocedure
De vader verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de beschikking van 28 april 2010 van deze rechtbank te wijzigen op onderstaande onderdelen:
  • te bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft sedert 13 februari 2025;
  • de aan de vader opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] per 13 februari 2025 op nihil te stellen;
met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure, althans zodanige regelingen te treffen als de rechtbank juist acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder zal zijn alsmede te bepalen dat een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige 2] bij de vader zal zijn om de week van vrijdag tot vrijdag.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningenprocedure
Op grond van artikel 223 eerste Pro lid Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Omdat de rechtbank zich in de bodemprocedure, zoals hierna wordt overwogen, zal buigen over de voorliggende verzoeken, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemprocedure
Hoofdverblijfplaats
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij hem wordt bepaald. Volgens de vader is dat in het belang van [minderjarige 2] , nu zij sinds 13 februari 2025 tijdelijk meer bij de vader heeft verbleven, en bij de vader staat ingeschreven. De vader vindt het in het kader van stabiliteit in het belang van [minderjarige 2] dat zij bij de vader ingeschreven blijft staan, en hier geen verandering in komt.
De moeder wenst dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder blijft. Dit is wat de ouders in 2010 zijn overeengekomen. De omstandigheid dat [minderjarige 2] in het kader van een tijdelijke afspraak meer bij haar vader is gaan verblijven, rechtvaardigt niet de wijziging van de hoofdverblijfplaats. Nu de vader in augustus 2025 zelfstandig de GBA-inschrijving van [minderjarige 2] heeft gewijzigd, verzoekt de moeder volledigheidshalve de rechtbank te bepalen dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] als volgt. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover van belang, omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank stelt vast dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Dat [minderjarige 2] door omstandigheden tijdelijk meer bij de vader heeft verbleven, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een wijziging van haar hoofdverblijfplaats. Op de zitting is besproken dat voor [minderjarige 2] een zorgregeling zal gelden waarbij zij evenveel tijd bij de vader als bij de moeder zal zijn. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de afspraak uit het ouderschapsplan over de hoofdverblijfplaats te wijzigen. De rechtbank zal daarom volledigheidshalve bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Het meer of anders verzochte met betrekking tot de hoofdverblijfplaats zal de rechtbank afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Op de zitting is afgesproken dat een zorgregeling zal gelden voor [minderjarige 2] waarbij zij de ene week bij de vader zal zijn en de andere week bij de moeder, waarbij het wisselmoment op zondagavond zal zijn. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte met betrekking tot de zorgregeling afwijzen.
Kinderalimentatie
De vader verzoekt de opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] per 13 februari 2025 op nihil te stellen. Volgens de vader is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat met een gezinscoach is besloten dat [minderjarige 2] per 13 februari 2025 voorlopig bij haar vader ging wonen, en af en toe bij de moeder zou verblijven. De vader heeft vanaf dat moment aanzienlijke kosten voor [minderjarige 2] gemaakt, terwijl hij geen kindgebonden budget en geen kinderbijslag ontving. De moeder ontving daarentegen wel het kindgebonden budget en de kinderbijslag, terwijl zij nauwelijks de zorg had voor [minderjarige 2] . De vader vindt deze situatie onredelijk en verwijst in dit verband onder andere naar de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 juli 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2325).
Volgens de moeder is het verzoek van de vader niet redelijk en moet het worden afgewezen. De moeder geeft aan open te staan voor een herziening van de afspraken, maar volgens haar moet dit in goed overleg gebeuren. Iedere nuance ontbreekt door een nihisltelling als uitgangspunt te nemen, terwijl een herberekening de te volgen weg zou moeten zijn. De moeder voert aan dat zij in de periode van 13 februari 2025 tot op heden ook verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 2] heeft gemaakt, waaronder kosten voor de school en de kinderpsycholoog.
Op de zitting is met de ouders besproken dat met ingang van de datum van de beschikking een nieuwe zorgregeling zal gelden, inhoudende dat sprake zal zijn van co-ouderschap voor [minderjarige 2] . Dit betekent dat het verzoek van de vader om de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] op nihil te stellen betrekking heeft op de periode van 13 februari 2025 tot de datum van de beschikking, te weten 13 februari 2026.
De rechtbank overweegt vervolgens als volgt. Anders dan in de door de vader aangehaalde jurisprudentie, staat in deze zaak allerminst vast dat de vader in de periode vanaf 13 februari 2025 alle verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 2] heeft voldaan. Integendeel, de vader heeft erkend dat de moeder een deel van deze verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat een nihilstelling van de kinderalimentatie te ver strekkend is, zeker nu sprake was van een tijdelijke situatie. De rechtbank volgt de vader wel in zijn standpunt dat de gewijzigde woonsituatie van [minderjarige 2] vanaf 13 februari 2025 aanleiding geeft tot een aanpassing van de kinderalimentatie. Een nihilstelling is echter, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, te kort door de bocht.
Nu de vader geen verzoek heeft gedaan tot herberekening van de kinderalimentatie kan de rechtbank niet anders dan het verzoek van de vader afwijzen. Zoals op de zitting is besproken, is het aan de ouders om in onderling overleg te treden over een herberekening van de kinderalimentatie, zowel met betrekking tot de periode tussen 13 februari 2025 en 13 februari 2026 (datum beschikking), als voor de periode vanaf de datum van deze beschikking.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna in het dictum van deze beschikking is vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 28 april 2010 van deze rechtbank – :
in de voorlopige voorzieningenprocedure op grond van artikel 223 Rv Pro:
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro;
in de bodemprocedure:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
bepaalt in het kader van de reguliere zorgregeling dat [minderjarige 2] de ene week bij de vader zal zijn en de andere week bij de moeder, met het wisselmoment op zondagavond;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 februari 2026.