In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiser] en [gedaagden]. De zaak betreft een vordering tot vernietiging van een koopovereenkomst en een schenkingsovereenkomst, die door [gedaagden] zijn gesloten, waarbij [eiser] stelt dat hij als schuldeiser is benadeeld. De feiten van de zaak zijn als volgt: [eiser] heeft een ongeval gehad tijdens zijn werkzaamheden als schilder, waardoor hij blijvend letsel heeft opgelopen. Hij heeft [gedaagden sub 1] aansprakelijk gesteld, maar deze heeft de aansprakelijkheid afgewezen. Vervolgens hebben [gedaagden sub 1], [gedaagden sub 2] en de dochter een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop van een woning, waarbij een deel van de koopprijs is geschonken aan de dochter. [eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op de woning en vordert nu vernietiging van de rechtshandelingen, omdat deze onverplicht zijn verricht en hij hierdoor in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van benadeling van [eiser] en dat de vorderingen tot vernietiging van de rechtshandelingen kunnen worden toegewezen. De rechtbank vernietigt de koopovereenkomst, de levering van de woning en de schenkingsovereenkomst, en veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten.