Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 4 april 2024 ontvangen, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 8 januari 2026 in gebreke en diende daarna beroep in, wat volgens de rechtbank kennelijk gegrond is.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarbij wordt rekening gehouden met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming, mede omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Verder wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 2 maart 2026.