ECLI:NL:RBDHA:2026:5208
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is gebaseerd op artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en betreft een periode vanaf 8 januari 2026 tot 18 februari 2026. Eiser betoogde dat er geen uitzicht is op uitzetting naar Marokko vanwege het vastgelopen laissez-passer traject en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
De rechtbank oordeelde dat het lp-traject sinds 14 april 2023 loopt en dat eiser onvoldoende meewerkt door het niet delen van strafrechtelijke gegevens, wat de uitzetting vertraagt. Verweerder heeft volgens de rechtbank voldoende inspanningen verricht, waaronder gesprekken met de Marokkaanse consul en maandelijkse rappels. De rechtbank concludeerde dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Verder stelde eiser dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn gezien de lange duur van het traject en zijn medewerking. De rechtbank vond echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden of dat het risico op onttrekking is afgenomen.
Ambtshalve toetsing van de maatregel leverde geen onrechtmatigheden op, ook niet met betrekking tot het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.