Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 24 september 2025 is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 14 januari 2026 was eiser niet aanwezig, maar zijn gemachtigde wel.
Na de zitting ontving de rechtbank op 4 februari 2026 een bericht van de minister dat eiser op 23 januari 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heropende het onderzoek en verzocht de gemachtigde van eiser om een reactie. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft.
De rechtbank oordeelt dat het vertrek met onbekende bestemming kan betekenen dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Gezien het ontbreken van recente contactgegevens en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat eiser nog belang heeft bij de procedure, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.