ECLI:NL:RBDHA:2026:5094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL25.50570
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 61 Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag met instandhouding terugkeerbesluit en inreisverbod

Eiseres, een Burundese Tutsi, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van haar identiteit en asielmotieven, waaronder het smokkelen van staatsgeheimen en (illegale) morfine. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte de verklaringen over de hulp tijdens haar reis als wisselend beschouwde, waardoor het besluit werd vernietigd vanwege een motiveringsgebrek.

Desondanks acht de rechtbank de overige bezwaren van de minister, zoals de ongeloofwaardigheid van de problemen rondom smokkel en de identiteit van eiseres, gegrond. De rechtbank bevestigt dat eiseres in grote lijnen niet geloofwaardig is en dat het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod terecht zijn. Eiseres had onvoldoende documenten overgelegd en haar verklaringen waren niet samenhangend en aannemelijk in het licht van de ernst van de verdenkingen en haar reisgedrag.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres en wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak bevestigt dat hoewel het besluit formeel wordt vernietigd, de gevolgen ervan blijven gelden vanwege de gegronde twijfels aan de geloofwaardigheid van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Het afwijzende asielbesluit houdt ook een terugkeerbesluit in, waarin staat dat eiseres onmiddellijk moet vertrekken. Ook is aan eiseres een inreisverbod opgelegd van twee jaar. Eiseres heeft daar ook gronden tegen ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Eiseres betoogt terecht dat zij niet wisselend heeft verklaard over de hulp tijdens haar reis. Daarom wordt het besluit vernietigd. Maar de rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat de overige tegenwerpingen over de ongeloofwaardigheid van haar problemen vanwege het smokkelen van staatsgeheimen, dan wel (illegale) morfine, niet ten onrechte door de minister zijn aangedragen. De rechtsgevolgen blijven ook in stand omdat eiseres door de minister in grote lijnen niet geloofwaardig mocht worden geacht. Tot slot is het terugkeerbesluit en inreisverbod terecht aan eiseres opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 16 oktober 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Verloop van de procedure
3. Op 31 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het eerdere beroep van eiseres behandeld tegen het afwijzende besluit van 11 april 2025. [1] De rechtbank oordeelde dat de minister de identiteit van eiseres ongeloofwaardig mocht achten. Eiseres beschikte alleen over een kopie van haar identiteitskaart, terwijl zij voldoende gelegenheid heeft gehad het origineel te verkrijgen en verklaarde bovendien wisselend over de herkomst van de kopie. Ook had eiseres niet onderbouwd dat zij haar paspoort heeft verloren en daarvan aangifte heeft gedaan. De geboorteakte nam de twijfel niet weg, omdat dit geen identificerend document is [2] en Bureau Documenten de inhoudelijke echtheid niet kon bevestigen. Toch heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Dat komt omdat de minister volgens de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres over het vervoer van gegevensdragers met staatsgeheimen en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zouden zijn. Volgens de rechtbank heeft eiseres niet onsamenhangend verklaard: zij noemde uit zichzelf dat het om gegevensdragers met staatsgeheimen verhuld als morfine ging en heeft nooit gezegd dat zij vanaf het begin wist wat zij vervoerde. Ook volgde de rechtbank niet het standpunt van de minister dat de verklaringen over de veiligheidsdienst SNR [3] en het buiten schot blijven van [persoon A] ongeloofwaardig waren. Eiseres werd gevraagd te speculeren over zaken waarvan zij niet op de hoogte was en de minister heeft hierover tijdens het gehoor niet doorgevraagd. Verder zag de rechtbank geen inconsistenties in de verklaringen van eiseres over de vliegveldcontroles in Burundi; eiseres heeft uitgelegd dat de opdrachtgever connecties had waardoor controles konden worden omzeild. De rechtbank heeft daarom het besluit van 11 april 2025 vernietigd en heeft de minister opgedragen een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. De nieuwe beoordeling is gemaakt in het besluit van 10 oktober 2025 en deze ligt nu voor bij deze rechtbank en zittingsplaats. Daar gaat de rechtbank hieronder op in.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft de Burundese nationaliteit en behoort tot de Tutsi bevolkingsgroep. Eiseres begon in 2019 als koerier en werkte vanaf 2021 voor [persoon A], eigenaar van een apotheek. In opdracht van hem smokkelde eiseres vier keer staatsgeheime gegevens dan wel illegale morfine naar Rwanda. Bij terugkeer onderging ze steeds strengere controles op de luchthaven, waarbij ze uiteindelijk ook lichamelijk werd onderzocht en haar paspoort werd ingenomen. Eiseres ontving daarna dreigtelefoontjes en bezoek van een inlichtingenmedewerker van SNR, maar durfde niet te melden wat ze vervoerde. Op 14 juni 2022 reisde eiseres samen met haar zus naar Kigali, Rwanda, voor familieformaliteiten en bleef daar enige tijd vanwege voortdurende telefonische benaderingen. Bij een later bezoek aan haar zieke vader werd ze gevolgd, ontvoerd en seksueel misbruikt door generaal [naam generaal] en is daarna door [persoon A] opgehaald. Vervolgens werd eiseres door leden van de SNR elders ondergebracht en geholpen om het land te verlaten.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst, en (2) Problemen vanwege het smokkelen van staatsgeheimen, dan wel (illegale) morfine.
5.1.
De minister acht de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit niet omdat zij geen objectieve documenten heeft overgelegd en hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. In de eerdere uitspraak van 31 juli 2025 (zie ook onder 3 van deze uitspraak) is al vastgesteld dat haar identiteit ongeloofwaardig is vanwege het ontbreken van een originele identiteitskaart en tegenstrijdige verklaringen over de kopie daarvan. [4] De geboorteakte wordt niet als identificerend document gezien [5] en er zijn geen nieuwe documenten overgelegd die tot een ander oordeel leiden. Ook haar gestelde problemen vanwege het smokkelen van staatsgeheimen, dan wel (illegale) morfine worden niet geloofwaardig geacht. Eiseres heeft dit asielmotief niet met documenten ondersteund en haar verklaringen hierover zijn onsamenhangend, niet aannemelijk en bevatten tegenstrijdigheden over de reden van haar asielaanvraag en wie haar heeft geholpen bij haar reis. Omdat haar identiteit ongeloofwaardig is, is zij in grote lijnen niet geloofwaardig. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Heeft de minister ten onrechte de problemen vanwege het smokkelen van staatsgeheimen, dan wel (illegale) morfine ongeloofwaardig geacht?
Vorige procedure
6. Eiseres stelt voorop dat zittingsplaats Utrecht het eerdere beroep van eiseres gegrond heeft verklaard en de zaak heeft terugverwezen. Uit deze uitspraak volgt volgens eiseres dat zij consistent, coherent en geloofwaardig heeft verklaard over de aard van het vervoer, haar kennis van het illegale karakter van de morfine, het handelen van de veiligheidsdienst en de controles op het vliegveld. De minister heeft tegen deze conclusies in het huidige besluit geen inhoudelijk verweer gevoerd, behalve ten aanzien van het handelen van de veiligheidsdienst. Daarmee staat, aldus eiseres, vast dat zij ten aanzien van deze punten uitgebreid consistent en geloofwaardig heeft verklaard. De minister baseert zijn afwijzing bovendien voornamelijk op veronderstellingen en subjectieve oordelen ten aanzien van het handelen van de veiligheidsdiensten. Daarmee weigert de minister ten onrechte de gevraagde verblijfsvergunning te verstrekken. Eiseres verzoekt de rechtbank deze bevindingen mee te wegen bij de beoordeling van het beroep.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. In de eerdere uitspraak van 31 juli 2025 heeft de rechtbank slechts geoordeeld dat het besluit onvoldoende daadkrachtig is gemotiveerd ten aanzien van de punten die eiseres benoemt. Het gegeven dat de minister in het nieuwe besluit niet terugkomt op deze punten, betekent niet dat daarmee die specifieke punten vaststaan en dat het asielrelaas daarom geloofwaardig is. Het staat de minister immers vrij om haar oordeel dat het asielrelaas niet geloofwaardig is te baseren op andere punten.
In deze procedure
6.2.
Eiseres betoogt verder dat de minister haar problemen vanwege het smokkelen van staatsgeheimen, dan wel (illegale) morfine en de gevolgen daarvan (mishandeling en seksueel misbruik in het huis van generaal [naam generaal]) ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Op deze punten gaat de rechtbank hieronder verder op in.
Onvoldoende documenten en hiervoor geen goede verklaring (artikel 31, zesde lid, sub b van de Vw 2000)
7. Eiseres betoogt dat de bij haar asielaanvraag overgelegde documenten (een uitdraai van een bericht op X over [persoon B] en twee nieuwsberichten van RPA over [naam bedrijf]) ook zonder direct verband met het asielrelaas aanvullende bewijswaarde hebben, omdat ze haar verklaringen over gebeurtenissen in Burundi ondersteunen. De minister gaat hieraan voorbij zonder dit voldoende te motiveren.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft in het voornemen gemotiveerd verwezen naar het eerdere oordeel van zittingsplaats Utrecht, waaruit volgt dat de door eiseres overgelegde documenten geen rechtstreeks verband hebben met haar asielrelaas. [6] Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in het voornemen voldoende heeft gemotiveerd dat de inhoud van het X-bericht de verklaringen van eiseres over [naam generaal] niet kan onderbouwen. Eiseres heeft geen andere documenten overgelegd die haar asielmotief onderbouwen, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van het eerdere oordeel van zittingsplaats Utrecht. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de minister aan de door eisers overgelegde documenten bewijswaarde had moeten toekennen.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, sub c, van de Vw 2000)
8. Eiseres betoogt dat haar verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn. Ze vindt dat de minister speculeert over haar legale reizen en de inzet van connecties van [persoon A], terwijl zij geen onderscheid maakt tussen zakelijke of privéreizen. Haar reizen tussen Burundi en Rwanda sluiten een gegronde vrees niet uit, vooral omdat ze vanwege familieomstandigheden reisde en dit altijd probleemloos verliep. De minister weerlegt haar zienswijze niet inhoudelijk en voldoet daarmee niet aan de motiveringsplicht. Eiseres erkent de ernst van de verdenkingen over staatsgeheimensmokkel, maar dat tast de betrouwbaarheid van haar verklaringen over de veiligheidsdienst SNR niet aan. De minister maakt ten onrechte veronderstellingen over de vraag of SNR doortastender zou handelen of eerder tot actie zou overgaan, maar dat maakt haar verklaring niet ongeloofwaardig.
8.1.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiseres onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de genoemde punten. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarbij mocht meewegen dat de reisbewegingen van eiseres niet overeenkomen met de ernstige verdenkingen tegen haar. Zoals de minister tijdens de zitting terecht opmerkte, gaat het hier om een zeer ernstig misdrijf waar de veiligheidsdiensten extra alert op zijn. De betrokken personen bij de smokkelorganisatie lopen zeer grote persoonlijke risico’s en het ligt in de rede dat zij alleen met de grootst mogelijke omzichtigheid handelen. In die context is het, zoals de minister terecht stelt, onwaarschijnlijk dat [persoon A] zonder duidelijke reden risico’s zou nemen in verband met de reizen van eiseres. Daar komt bij dat de veiligheidsdiensten eiseres al langere tijd observeerden. Zo moest zij in januari 2022 haar paspoort inleveren en is zij medisch onderzocht; een herhaling hiervan vond plaats bij het ophalen van haar paspoort in april 2022. Bovendien werd eiseres door [persoon C], een medewerker van de SNR, opgeroepen om zich te melden bij generaal [naam generaal], maar uit angst heeft zij hieraan geen gehoor gegeven. Gezien deze omstandigheden mocht de minister concluderen dat het onbegrijpelijk is dat eiseres toch is blijven reizen tussen Burundi en Rwanda, ook tegen het advies van [persoon A] in. Het feit dat haar zus haar nodig had om naar de ambassade in Rwanda te gaan en dat haar vader ziek was, verandert het voorgaande oordeel niet. Ook wat betreft het optreden van de SNR heeft de minister, vanwege de ernst van het misdrijf, het langdurig toezicht op eiseres en haar weigering gehoor te geven aan de oproep van generaal [naam generaal], niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat de SNR zo weinig daadkrachtig zou optreden. Tijdens de zitting bracht gemachtigde naar voren dat eiseres wel is onderzocht op de luchthaven en dat niets erop wijst dat er meer was dan alleen een verdenking die de SNR tegen haar koesterde. Eiseres zelf verklaarde echter dat zij door [persoon C] werd opgeroepen en niet ging omdat [persoon A] haar waarschuwde dat ze anders een levenslange gevangenisstraf zou krijgen. De rechtbank volgt daarom de conclusie van de minister dat de door eiseres geuite vrees niet strookt met haar eigen handelen.
Noodzaak tot internationale bescherming
8.1.2.
Eiseres betoogt dat het onjuist is dat zij elders geen asiel heeft aangevraagd; alle andere genoemde landen waren doorreislanden op weg naar Nederland, wat in de praktijk gebruikelijk is onder asielzoekers.
8.1.3.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat het gedrag van eiseres na haar vertrek uit Burundi geen aanwijzing geeft voor noodzaak tot internationale bescherming. Uit haar eigen verklaringen blijkt dat zij gedurende ongeveer een maand in verschillende veilige landen heeft verbleven, zoals Kroatië, Servië, Slovenië, Italië en Duitsland. [7] Hoewel de minister in het bestreden besluit niet langer tegenwerpt dat eiseres in Kroatië aangaf geen asiel te willen aanvragen, verandert dit niets aan het feit dat zij ook in andere veilige landen verbleef die vergelijkbare bescherming bieden als Nederland. Het argument dat zij deze landen slechts als doorreislanden gebruikte, heeft de minister gezien de verblijfsduur van een maand niet hoeven volgen. Omdat eiseres zegt Burundi te zijn ontvlucht uit vrees voor haar leven, mocht worden verwacht dat zij in een veilig land asiel zou aanvragen zodra dat mogelijk was. Dit heeft zij echter niet gedaan. Dat doet, zoals de minister terechte heeft overwogen, af aan de aannemelijkheid van haar noodzaak tot bescherming. Het betoog van eiseres dat andere asielzoekers ook door meerdere landen reizen, kan aan die conclusie niet afdoen. De minister heeft hierover op de zitting terecht aangevoerd dat elke zaak individueel wordt beoordeeld en in deze situatie kan eiseres worden verweten dat zij geen asiel aanvroeg terwijl dat wel mogelijk was.
Tegenstrijdigheid informatie omtrent reden asielaanvraag
8.1.4.
Eiseres betoogt verder dat de tegenwerping over de tegenstrijdige informatie ten aanzien van de reden van haar asielaanvraag geen stand kan houden. De lezing van de minister van de correcties en aanvullingen op het Dublingehoor, zoals weergeven in het voornemen, betreffen volgens eiseres een gedeeltelijke lezing. Eiseres heeft in de correcties en aanvullingen nooit verklaard dat de reden van haar asielaanvraag te maken heeft met haar zwager. De verklaring komt uitsluitend van haar voormalig gemachtigde in reactie op het voornemen.
8.1.5.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht belang gehecht aan de inconsistentie tussen wat eiseres in haar correcties en aanvullingen op het Dublingehoor heeft aangevoerd over de reden van haar asielaanvraag en wat zij later in het nader gehoor heeft gesteld. In de correcties van 3 april 2023 gaf eiseres aan dat haar problemen in Burundi verband houden met haar zwager, die in Nederland een vergunning heeft gekregen. Ook in de aanvullende gronden van beroep verbond zij haar asielrelaas aan dat van haar zwager en stelde zij dat Nederland om proceseconomische redenen haar asielrelaas moest beoordelen. [8] Eiseres heeft vervolgens in het nader gehoor met geen woord gerept over problemen met haar zwager of aanknopingspunten met het asielrelaas van haar zwager. Aangezien het niet aannemelijk is dat haar gemachtigde het gestelde over haar zwager zou verzinnen, en eiseres hieromtrent verder ook geen enkele uitleg heeft gegeven, mocht de minister aan deze tegenstrijdigheid gewicht toekennen.
Tegenstrijdige verklaringen over wie geholpen heeft met de reis
8.1.6.
Eiseres voert aan dat ze geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar geholpen heeft met de reis. Volgens eiseres zijn haar verklaringen bij de AVIM over wie haar hielp bij haar reis nooit met een tolk of gemachtigde geverifieerd, zodat niet kan worden vastgesteld dat wat is opgeschreven in die verklaringen overeenkomt met haar daadwerkelijke verklaringen. Dit mag dan ook niet tegen haar worden gebruikt. Eiseres wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 23 september 2025. [9] De integrale geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister moet maken doet hier niet aan af.
8.1.7.
Dit punt van eiseres is terecht aangevoerd. De minister heeft ter zitting erkend dat hij haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar tijdens de reis heeft geholpen. Eiseres heeft immers terecht gesteld dat niet kan worden vastgesteld in welk land de pastoor haar heeft bijgestaan. De minister heeft deze tegenwerping daarom laten vallen en daarbij aangevoerd dat het geen dragende grond betreft en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank constateert, gezien het voorgaande, dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten gezien hetgeen de minister voor het overige terecht aan eiseres heeft tegengeworpen, zoals besproken onder 6.1 tot 8.1.5 van deze uitspraak, en omdat eiseres door de minister in grote lijnen niet geloofwaardig mocht worden geacht. Dat laatste bespreekt de rechtbank hierna onder 9.
Eiseres kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000)
9. De rechtbank stelt vast dat in de eerdere procedure van eiseres haar identiteit ongeloofwaardig is geacht. [10] Dat besluit staat in rechte vast. Eiseres heeft in deze procedure verder geen grond tegen dit onderdeel ingediend. Daarom concludeert de rechtbank dat de minister niet ten onrechte ervan uit is gegaan dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
10. Eiseres betoogt onder verwijzing naar al het bovenstaande dat door de minister ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Zij meent ook dat het opgelegde inreisverbod van twee jaar niet kan standhouden.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat de rechtbank onder 8.1.7. heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen in stand blijven, is het beroep weliswaar gegrond, maar blijft het besluit gelden. Dat betekent dat het besluit terecht aan eiseres is opgelegd. De minister mag daarom een terugkeerbesluit nemen en een inreisverbod opleggen. [11]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven. [12]
12. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18342.
2.Dat volgt uit paragraaf C1/4.2.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
3.Service national de renseignement (SNR). Dat is de nationale civiele inlichtingen- en veiligheidsdienst van Burundi.
4.Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18342, r.o. 11.
5.Paragraaf C1/4.2.2.2.
6.Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 31 juli 2025, zaaknummer: NL25.17999 (niet gepubliceerd), r.o. 13.
7.Verslag gehoor aanmeldfase 27 november 2022, pagina 6-7.
8.Aanvullende gronden van beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van
10.Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 31 juli 2025, zaaknummer: NL25.17999 (niet gepubliceerd), r.o. 11.
11.Dat volgt uit artikel 61 en Pro 62 van de Vw 2000 en artikel 66a van de Vw 2000.
12.Dat kan op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.