ECLI:NL:RBDHA:2026:5084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL25.28574 en NL25.28575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Kameroense LHBTI-aanvrager wegens gebrek aan geloofwaardigheid

Eiser, een Kameroense nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen in Nederland ingediend, waarvan de laatste op 27 december 2023. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen bescherming zocht, mede ondersteund door brieven van vrienden, LHBTI-organisaties en een lidmaatschapskaart van Rainbow Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. De verklaringen van eiser zijn onvoldoende concreet en persoonlijk, en de overgelegde documenten bieden geen overtuigend bewijs. Eiser kon ook niet overtuigend uitleggen over zijn relatie en persoonlijke ontwikkeling binnen de LHBTI-gemeenschap.

De rechtbank stelt dat bij een opvolgende aanvraag, waarbij eiser al geruime tijd in Nederland verblijft en zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard, meer concrete en persoonlijke toelichting verwacht mag worden. Verweerder hoefde de gestelde partner niet te horen omdat er geen twijfelgeval was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.28574 (beroep)
NL25.28575 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren [geboortedag 1] 1997, van Kameroense nationaliteit,
alias [alias 1] , geboren op [geboortedag 2] 1997,
alias [alias 2] , [geboortedag 3] 1997,
eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft de zaken op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, B. Westerveld als tolk in de Franse taal en de gemachtigde van verweerder. Ook was de gestelde partner van eiser aanwezig, de heer [persoon 1] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft Kameroen op 28 januari 2016 verlaten en is via Nigeria, Niger, Algerije en Libië illegaal Italië ingereisd. Vervolgens is eiser via Frankrijk en België naar Nederland gereisd. Op 20 september 2017 heeft eiser in Nederland voor het eerst asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is met het besluit van 19 december 2017 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Het hiertegen gerichte beroep is met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 18 januari 2018 ongegrond verklaard. [1]
4.1.
Ondanks dat Italië verantwoordelijk was voor de eerste asielaanvraag, is de uiterste overdrachtsdatum op 19 april 2019 verlopen. Vervolgens heeft eiser 4 oktober 2019 opnieuw een asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is met het besluit van 19 juli 2021 afgewezen als ongegrond. Het hiertegen gerichte beroep is met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, op 5 april 2022 ongegrond verklaard. [2]
4.2.
Tot slot heeft eiser op 27 december 2023 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat deze beroepsprocedure.
Asielrelaas
5. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij opnieuw asiel heeft aangevraagd, omdat hij inmiddels langere tijd in Nederland verblijft en hij intensief contact heeft met Rainbow Den Haag. Daarom kan er volgens hem gesproken worden van een groei aangaande het bewustzijn van zijn seksuele identiteit. Naar aanleiding daarvan zou hij beter in staat zijn dan voorheen om te spreken over gevoelens en emoties en over wat seksuele identiteit voor hem inhoudt.
Documenten
6. Eiser heeft de volgende documenten ingebracht ter ondersteuning van zijn asielrelaas:
 Brief van de gestelde partner;
 Aanvullende brief van de gestelde partner;
 Brief [persoon 2] , Rainbow Den Haag;
 Brief [persoon 3] , COC Tilburg en Breda;
 Brief van vriend [persoon 4] ;
 Brief van vriendin [persoon 5] ;
 Brief van vriend [persoon 6] ;
 Brief van vriend [persoon 7] ;
 Brief van vriend [persoon 8] ;
 Brief van vriend [persoon 9] ;
 Kopie van pasje lidmaatschap Rainbow Den Haag; en
 Foto’s van eiser met vrienden en partner (bij LHBTI-bijeenkomsten).
Besluitvorming
7. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De gestelde homoseksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen
.
7.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde homoseksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.
7.2.
Verweerder beoordeelt de gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen als volgt. Verweerder stelt allereerst dat dit asielmotief niet is onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Verder stelt verweerder dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [3] De overgelegde brieven van vrienden en LHBTI-organisaties dragen namelijk niet bij aan de gestelde homoseksuele gerichtheid. Verder zijn eisers verklaringen over zijn LHBTI-activiteiten onvoldoende overtuigend en zijn eisers verklaringen over contacten binnen de LHBTI-gemeenschap onvoldoende concreet en persoonlijk. Daarnaast weet eiser niet overtuigend te verklaren over zijn gestelde relatie. Ook stelt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [4] Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gestelde problemen naar aanleiding van zijn homoseksuele gerichtheid namelijk valse documenten overgelegd.
7.3.
Tot slot is het feit dat eiser uit Kameroen komt op zichzelf niet genoeg om vluchteling te zijn [5] of om een risico op ernstige schade aan te nemen [6] .
7.4.
Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. [7] De aanvraag is namelijk een opvolgende aanvraag, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Het terugkeerbesluit van 19 juli 2021 is nog steeds geldig en verweerder heeft tot slot aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
In grote lijnen niet geloofwaardig
8. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de tegenwerping van verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dit punt is dan ook niet in geschil.
Verklaringen niet samenhangend en aannemelijk
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft diverse brieven overgelegd ter onderbouwing van zijn seksuele gerichtheid en deze dienen ter ondersteuning van hetgeen eiser daar zelf over heeft verklaard. Ook heeft verweerder ten onrechte de overgelegde lidmaatschapskaart van Rainbow Den Haag niet aangemerkt als indicatie van zijn seksuele gerichtheid. Eiser ziet niet in op welke wijze hij, meer dan hij al heeft gedaan, inzicht zou kunnen geven in zijn gestelde groei. Daarbij is van groot belang dat de groei waarover het in deze beroepszaak gaat, ziet op een innerlijke beleving die nu eenmaal niet altijd middels het geven van voorbeelden onder woorden kan worden gebracht. Daarnaast stelt eiser dat personen middels slechts door hun aanwezigheid bij bijeenkomsten een steun kunnen zijn voor anderen zonder dat er sprake is van daadwerkelijke hulpverlenende activiteiten.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank legt dit hierna uit.
11. In lhbti-zaken ligt het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat laat echter onverlet dat verweerder een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. [8]
12. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat hij is gegroeid ten aanzien van zijn homoseksualiteit. Naar aanleiding daarvan zou eiser beter in staat zijn dan voorheen om te spreken over gevoelens en emoties en over wat seksuele identiteit voor hem inhoudt. Verweerder heeft eiser uitgebreid bevraagd over eisers relatie met [persoon 1] en ook zijn vragen aan hem gesteld om meer inzicht te krijgen in zijn gedachtes en gevoelens. [9] Ook zijn aan eiser vragen gesteld over het bijwonen van bijeenkomsten van (onder andere) Rainbow Den Haag waarom deze zo belangrijk voor hem zijn, wat hij tijdens de bijeenkomsten heeft geleerd en hoe hij met deze kennis een steun voor anderen wil zijn. Daarbij heeft verweerder doorgevraagd naar de persoonlijke ervaringen daarover. [10] Verder zijn aan eiser vragen gesteld over de persoonlijke ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt in zijn homoseksuele identiteit en er wat hij precies bedoelt met bepaalde uitspraken. [11] Aan eiser is voorgehouden dat zijn antwoorden nog vrij algemeen of onvoldoende concreet blijven en is hem expliciet gevraagd, en daarmee de mogelijkheid geboden, wat meer inzicht te geven in zijn gevoelswereld. [12] Verweerder heeft in de besluitvorming duidelijk aangegeven waarom eisers verklaringen niet aannemelijk of onvoldoende overtuigend zijn en wat er in dat verband van eiser mocht worden verwacht. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat bij deze opvolgende aanvraag, waarbij eiser al geruime tijd in Nederland is, naar eigen zeggen homoseksueel is en zelf zegt daarin een ontwikkeling te hebben doorgemaakt, van eiser verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren en meer inzicht kan geven in zijn gedachtes en gevoelens en uitleg te kunnen geven waaruit die ontwikkeling bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd.
13. Ten aanzien van de door eiser ingebrachte stukken is de rechtbank van oordeel dat verweerder kenbaar heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de ingebrachte stukken. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de verklaringen van de verschillende lhbti-organisaties een feitelijke weergave zijn van eisers deelname aan lhbti-activiteiten en hoe de lhbti-organisaties hem als persoon hebben leren kennen. Hoewel de verklaringen ondersteunen dat eiser naar verschillende bijeenkomsten gaat en deelneemt aan activiteiten voor lhbti’ers, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit nog niet betekent dat eiser alsnog in zijn gestelde homoseksualiteit moet worden gevolgd. Het is ook van belang welke beleving eiser bij deze bijeenkomsten heeft. Zoals overwogen onder overweging 12 heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser te veel in algemeenheden en onvoldoende persoonlijk heeft verklaard over hoe belangrijk de bijeenkomsten voor hem waren. Verweerder heeft daarom in de ingebrachte verklaringen van vrienden, lhbti-organisaties, zijn gestelde partner en de foto’s geen aanleiding hoeven zien om de gestelde seksuele geaardheid van eiser alsnog geloofwaardig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
14. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder zijn partner ten onrechte niet heeft gehoord.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de gestelde partner van eiser te horen. Uit Werkinstructie 2019/17 [13] blijkt dat verweerder slechts in twijfelgevallen ervoor zou kunnen kiezen om een derde te horen. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen is in dit deze zaak geen sprake van een twijfelgeval. Verweerder heeft zich dus niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde partner van eiser niet gehoord hoefde te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
17. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de
voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom
af.
18. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.28574,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.28575,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter,
in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.NL17.15215.
2.NL21.13118.
3.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
4.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
5.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
7.Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
9.Zie met name pagina 19 t/m 25 van het gehoor opvolgende aanvraag.
10.Zie met name pagina 12 t/m 18 van het gehoor opvolgende aanvraag.
11.Zie pagina 8 t/m 12, 15 en 16 van het gehoor opvolgende aanvraag.
12.Zie bijvoorbeeld pagina 7 en 16 van het gehoor opvolgende aanvraag.
13.Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, paragraaf 3.2.2.