ECLI:NL:RBDHA:2026:5077
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland op grond van Dublinverordening
Eiser, een asielzoeker van Libische nationaliteit, diende op 9 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling, gelet op een eerdere asielaanvraag van eiser in Zwitserland op 14 oktober 2024. Nederland verzocht Zwitserland om terugname op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening, welke door Zwitserland werd geaccepteerd.
Eiser stelde dat het aanmeldgehoor onzorgvuldig was, het voornemen niet correct was uitgereikt, het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, en dat het claimakkoord onjuist was geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had om zijn bezwaren te uiten, het voornemen op juiste wijze was verzonden, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast omdat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt.
Verder concludeerde de rechtbank dat het claimakkoord op een andere grondslag dan het verzoek was geaccepteerd, maar dit de verantwoordelijkheid van Zwitserland niet aantast. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht geen gebruik maakte van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.