ECLI:NL:RBDHA:2026:5077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL25.62488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.109c Vreemdelingenbesluit 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningEVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland op grond van Dublinverordening

Eiser, een asielzoeker van Libische nationaliteit, diende op 9 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling, gelet op een eerdere asielaanvraag van eiser in Zwitserland op 14 oktober 2024. Nederland verzocht Zwitserland om terugname op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening, welke door Zwitserland werd geaccepteerd.

Eiser stelde dat het aanmeldgehoor onzorgvuldig was, het voornemen niet correct was uitgereikt, het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, en dat het claimakkoord onjuist was geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had om zijn bezwaren te uiten, het voornemen op juiste wijze was verzonden, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast omdat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt.

Verder concludeerde de rechtbank dat het claimakkoord op een andere grondslag dan het verzoek was geaccepteerd, maar dit de verantwoordelijkheid van Zwitserland niet aantast. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht geen gebruik maakte van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.62488 (beroep)
NL25.62489 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Libische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Mandersloot).

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de
aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling
genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht
om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beslissing op het beroep
in Nederland mag afwachten.
1.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.
Besluitvorming
3. Eiser heeft op 9 november 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Zwitserland volgens verweerder verantwoordelijk zijn voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 oktober 2024 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft Nederland op 26 november 2025 de autoriteiten van Zwitserland verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. [2] Op 27 november 2025 zijn de autoriteiten van Zwitserland hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Aanmeldgehoor
4.1.
Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat het Dublin aanmeldgehoor onzorgvuldig is verlopen. Aan eiser is gevraagd of er sprake is van bezwaren die hij liever niet tegenover een mannelijke medewerker en een vrouwelijke tolk naar voren brengt. Eiser heeft aangegeven dat hiervan sprake is. Desondanks is het gehoor in die setting voortgezet, waardoor eiser zijn bezwaren niet volledig naar voren heeft kunnen brengen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de overdracht naar Zwitserland naar voren te brengen. Eiser heeft niet onderbouwd wat hij door deze manier van horen niet naar voren heeft kunnen brengen. Daar komt bij dat eiser ook ten tijde van het beroep nog de gelegenheid heeft gehad om andere bezwaren naar voren te brengen. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Voornemen
5.1.
Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het voornemen ten onrechte niet aan hem is uitgereikt. Verweerder heeft op 28 november 2025 een voornemen uitgebracht. Dit is niet aan eiser uitgereikt. Voorts is er op 2 december 2025 een gemachtigde gekoppeld aan eiser en/of de zaak. Het voornemen is vervolgens niet verzonden of op andere wijze bekend gemaakt. Via het digitale Advocatenportaal van verweerder is er evenmin een notificatie uitgegaan.
5.2.
In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat artikel 30,
tweede lid, van de Vw en artikel 3.109c van het Vb [3] het verloop van de Dublinprocedure regelen. In het zesde lid van artikel 3.109c van het Vb staat dat “het schriftelijk voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt meegedeeld door uitreiking of toezending daarvan”.
5.3.
Verweerder heeft op 2 februari 2026 een aanvullend stuk overgelegd waaruit blijkt dat het voornemen aan eiser is verzonden. Op dit screenshot staat het adres waar eiser toen verbleef en dat het voornemen aangetekend is verzonden. Nu verweerder het voornemen aan eiser heeft toegezonden, heeft verweerder het voornemen conform artikel 3.109c van het Vb op de juiste wijze aan eiser bekend gemaakt. Dat de gemachtigde van eiser geen notificatie in het digitale systeem heeft ontvangen, maakt dit niet anders. De gemachtigde is immers pas aan het dossier van eiser gekoppeld toen het voornemen al was verstuurd. De gemachtigde van eiser had ten tijde van de koppeling dus de beschikking over alle kenbare stukken in het dossier. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat het voornemen op de juiste wijze bekend is gemaakt en eiser door de procedure in de voornemenfase niet in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6.1.
Ook stelt eiser dat ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn immers concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook kon eiser niet werken in Zwitserland door de lange doorlooptijden, zo blijkt ook uit een AIDA [4] -rapport [5] , wat voor hem zeer problematisch was.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Zwitserland, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Zwitserland in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM [6] , het Handvest [7] en het Vluchtelingenverdrag [8] . Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Zwitserland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo [9] .
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling [10]
heeft recentelijk geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [11] De aangevoerde omstandigheden maken daarom niet dat de asielprocedure in Zwitserland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Er is dus geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Zwitserland niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Zwitserland het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eisers in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Zwitserland wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg hierover bij de Zwitserse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Zwitserse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Claimakkoord
7.1.
Verder stelt eiser zich op het standpunt dat het claimakkoord niet op de juiste grondslag is geaccepteerd. Het claimverzoek is gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, terwijl het verzoek is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Eiser heeft geen (volledige) asielprocedure doorlopen en zijn asielaanvraag is niet afgewezen aldaar, terwijl het claimakkoord hier wel van uitgaat. Dit lijkt dan ook niet zorgvuldig tot stand te zijn gekomen. Ook vreest eiser dat hij hierdoor bij terugkeer als (reeds) afgewezen asielzoeker zal worden behandeld, terwijl hij bij een (gedwongen) terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt.
7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft een terugnameverzoek gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De Zwitserse autoriteiten hebben het claimverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Hiermee staat vast dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dat sprake is van een andere acceptatiegrond dan door verweerder in het claimverzoek is genoemd, leidt niet tot het oordeel dat daarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland niet vast is komen te staan. Hierbij is van belang dat verweerder in het claimverzoek de voor de beoordeling van het verzoek relevante informatie heeft vermeld en de Eurodac gegevens als bijlage bij het verzoek heeft gevoegd. De autoriteiten van Zwitserland konden daarom een voldoende geïnformeerd besluit nemen op dat verzoek. Voor zover eiser stelt dat het accepteren op een andere grondslag nadelige gevolgen voor eiser zou kunnen hebben, oordeelt de rechtbank dat dit op geen enkele wijze is onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Met het accepteren van het claimverzoek hebben de Zwitserse autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Zoals de rechtbank onder 6.3. heeft overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er van uitgaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is daarom aan Zwitserland om te bepalen op grond van welk onderdeel van de Dublinverordening zij de verantwoordelijkheid voor het behandelen van eisers asielaanvraag draagt. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17
8.1.
Tot slot meent eiser dat verweerder in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor zijn asielverzoek aan zich had moet trekken. Er zijn immers concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het
verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale
verplichtingen niet nakomt.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, kan die lidstaat een asielaanvraag alsnog onverplicht in behandeling kan nemen. [12] In het beleid van verweerder staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. De rechtbank toetst deze discretionaire bevoegdheid van verweerder dus terughoudend.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken. Verweerder hoeft omstandigheden die hij al heeft beoordeeld onder het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ook onder de bijzondere individuele omstandigheden te beoordelen. [13] De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiser op
goede gronden heeft afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor
het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.62488:
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.62489:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep
worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week
na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de
voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om
een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een
voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Asylum Information Database.
5.AIDA Switzerland Update on 2024, mei 2025.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
8.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17,
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Zie uitspraken van 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864 en van 24 januari 2025 ECLI:NL:RVS:2025:265.
12.Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.