ECLI:NL:RBDHA:2026:5049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/15
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 4.19 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6.1 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tegemoetkoming planschade wegens ongewijzigde planologische situatie

Eiser diende een verzoek in om tegemoetkoming in planschade wegens vermeende waardevermindering van zijn percelen door het bestemmingsplan dat de bouw van nieuwe bedrijfswoningen zou hebben beperkt. Het college wees dit verzoek af op basis van een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), dat stelde dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden ongewijzigd waren gebleven.

De rechtbank bevestigde dat de toetsing van planschade plaatsvindt door een vergelijking van het oude en nieuwe planologische regime, waarbij feitelijke gebruiksmogelijkheden en omgevingsvergunningen op omliggende percelen niet relevant zijn. De wijzigingsbevoegdheid voor bedrijfswoningen, die in het oude plan aanwezig was maar geen rechtstreekse bouwtitel bood, werd buiten beschouwing gelaten.

Eiser voerde onder meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel en stelde dat zijn percelen feitelijk niet meer in het buitengebied liggen, maar deze argumenten werden verworpen omdat zij niet relevant zijn voor de planologische vergelijking. De rechtbank oordeelde dat het college terecht op het deskundigenadvies mocht vertrouwen, aangezien eiser geen tegenadvies had ingebracht.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van het verzoek bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S.H. van den Ende op 13 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college om zijn verzoek om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot afwijzing van eisers verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers verzoek om tegemoetkoming in planschade terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 november 2022 een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep van eiser in de zaak SGR 25/6972. In die zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.4.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers aanvraag heeft betrekking op de bij hem in eigendom zijnde percelen [percelen] te [plaats] . Het betreft 11 kadastrale percelen waarop vroeger een kwekerij aanwezig was. Op die gronden is enige voormalige bedrijfsbebouwing aanwezig, maar niet een (bedrijfs)woning. De 11 percelen zijn kadastraal bekend als [kadastrale kenmerken]
.
3.1.
In de aanvraag stelt eiser dat hij schade heeft geleden in de vorm van waardevermindering van zijn percelen door het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1]”, omdat daardoor het realiseren van nieuwe bedrijfswoningen is komen te vervallen.
3.2.
Het college heeft voor de beoordeling van dit verzoek planschadeadviesbureau Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) ingeschakeld. De SAOZ heeft op
16 mei 2023 een concept advies uitgebracht. Daarin is eerst de oorspronkelijke planologie in kaart gebracht. Dat is allereerst het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”, zoals vastgesteld op 30 juni 2011 en op 3 oktober 2012 onherroepelijk geworden. De percelen hebben in dat plan hoofdzakelijk de enkelbestemming “Agrarisch”, zonder de aanduiding voor een bedrijfswoning. De SOAZ wijst erop dat het plan weliswaar een wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van een eerste bedrijfswoning bevatte, maar wijzigingsbevoegdheden bieden geen rechtstreekse bouwtitel en dienen daarom bij een planvergelijking buiten beschouwing te worden gelaten. Op 27 juni 2013 is het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 3]”, onherroepelijk geworden, en op 9 juli 2015 is het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 4]”, vastgesteld. In die bestemmingsplannen is de verbeelding op de plankaart niet gewijzigd, en is ook ten aanzien van de mogelijkheden van een bedrijfswoning op de gronden van aanvrager niets gewijzigd. De nieuwe planologie is het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1]” (derde actualisatie). Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 23 november 2017 en onherroepelijk geworden op
12 september 2018. Ook daarin is voor wat betreft de verbeelding niets gewijzigd, en is ten aanzien van de mogelijkheden van een bedrijfswoning op de gronden van eiser niets gewijzigd. De eerdere wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van een eerste bedrijfswoning is in dit plan weliswaar komen te vervallen voor de gronden van eiser, maar een wijzigingsbevoegdheid bood al geen rechtstreekse bouwtitel en wordt daarom bij een planvergelijking buiten beschouwing gelaten, aldus de SAOZ. Conclusie uit de vergelijking van de oorspronkelijke en de nieuwe planologie is dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor bedrijfswoonbebouwing op de 11 kadastrale percelen van eiser ongewijzigd zijn gebleven. Dergelijke bebouwing was en is niet rechtstreeks mogelijk, zodat zich geen nadelige planologische wijziging heeft voorgedaan. De aanvraag kan op grond hiervan reeds worden afgewezen. De SAOZ komt daarom niet toe aan een taxatie en een beoordeling van het normaal maatschappelijk risico.
3.3.
Op 15 juni 2023 heeft de SAOZ haar definitieve advies uitgebracht. De SAOZ adviseert het college de aanvraag af te wijzen. Het college heeft het SAOZ-advies overgenomen en de aanvraag afgewezen.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.
Toetsingskader
5. In artikel 6.1, eerste lid, van de Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
5.1.
In het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.
5.2.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime, die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of, en zo ja in hoeverre, deze planologische mogelijkheden zijn benut. [1]
Het beroep van eiser
6. Eiser betoogt dat wel een tegemoetkoming in planschade aan hem had moeten worden toegekend. Hij stelt recht te hebben op het bouwen van nieuwe woningen. In het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” hebben zijn percelen de enkelbestemming “Agrarisch” gekregen, met een agrarische bouwtitel. Er mochten dus toen al nieuwe agrarische bedrijfswoningen worden gebouwd, en ook was het mogelijk om het hele bedrijf de vervolgfunctie wonen te geven. Eiser wil de mogelijkheid openhouden een (bedrijfs)woning te bouwen. Op zijn percelen kunnen veel woningen worden gebouwd. Het college stelt dat van de provincie niet meer woningen in het buitengebied mogen worden gebouwd, maar onderkent daarmee niet dat zijn percelen feitelijk niet meer in het buitengebied liggen. De gemeente had al plannen om op zijn locatie woningen te bouwen. Daarnaast is er inmiddels een bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 5] ”, waarin de bouwtitels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” nog steeds zijn opgenomen. Eiser mag nieuwe bedrijfsgebouwen realiseren en ook is het mogelijk die gebouwen later om te vormen naar woningen. Eiser kan cultuurhistorisch bouwen. Ten slotte doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Op omliggende percelen zijn al veel woningen omgezet naar burger- of plattelandswoningen.
De beroepsgronden van eiser afgezet tegen het toetsingskader voor planschade
7. De rechtbank overweegt dat uit het onder 5.2 beschreven toetsingskader blijkt dat een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden beoordeeld op basis van een planvergelijking. Daaruit volgt dat wat feitelijk is gerealiseerd op omliggende percelen niet van betekenis is voor de beoordeling van de aanvraag van eiser. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat, naar eiser stelt, zijn percelen feitelijk niet meer in het [bestemmingsplan 2] liggen maar in bebouwd gebied. Ook de door eiser gestelde omstandigheid dat voor omliggende percelen omgevingsvergunningen zijn verleend voor het bouwen van een (bedrijf)woning is niet van betekenis voor de beoordeling van de aanvraag van eiser. Die omstandigheden staan namelijk los van de planologische vergelijking, op basis waarvan eisers verzoek moet worden beoordeeld. Wat eiser naar voren brengt over bouwmogelijkheden volgens het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 5] ” is ook niet relevant voor de beoordeling van de aanvraag, omdat dit bestemmingsplan geen onderdeel is van de ten behoeve van eisers verzoek te maken planvergelijking. Wat eiser hierover in beroep naar voren brengt kan dus niet leiden tot het oordeel dat het verzoek om tegemoetkoming in planschade ten onrechte is afgewezen.
7.1.
De rechtbank overweegt verder dat ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dat is alleen al zo omdat de voorbeelden die eiser aandraagt geen betrekking hebben op planschade, maar op vergunde (woon)bebouwing op andere percelen. Die situaties zijn niet relevant voor de te maken beoordeling in het kader van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade en dus ook geen gelijke gevallen.
Mocht het college afgaan op het advies van de SAOZ?
8. Het is vaste rechtspraak [2] dat het bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
8.1.
De SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het college mag in beginsel uitgaan van het advies van de SAOZ. Het beroep van eiser geeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de SAOZ. Daarbij is van belang dat eiser geen tegenadvies van een deskundige heeft ingebracht. Het college heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat het advies van SAOZ zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de in het advies gevolgde redenering begrijpelijk is en dat de conclusies daarop aansluiten.
8.2.
Onder verwijzing naar het SOAZ-advies en vaste rechtspraak heeft het college zich verder op goede gronden op het standpunt gesteld dat een niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid bij de maximale invulling van dat bestemmingsplan buiten beschouwing moet worden gelaten en dus geen onderdeel uitmaakt van de planvergelijking. [3]
8.3.
Dat, naar eiser stelt, de wijzigingsbevoegdheid vrijwel altijd werd toegepast, doet er niet aan af dat voorgaande planologische regime geen rechtstreekse bouw- en gebruiksmogelijkheid voor wonen bevatte. Het vervallen van een wijzigingsbevoegdheid kan dan ook niet tot planschade leiden. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het besluit tot afwijzing van eisers verzoek in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over planschade van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 10.
2.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690,
3.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, onder 21 en de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3441, onder 4.2.