ECLI:NL:RBDHA:2026:497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL26.325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was opgelegd op 19 november 2025 op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2026 gesloten en besloten dat een onderzoek ter zitting niet nodig was.

De rechtbank overweegt dat indien de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet of niet gerechtvaardigd is, zij het beroep gegrond kan verklaren en de maatregel kan opheffen. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en vastgesteld dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 2 december 2025 rechtmatig was. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Senegal, omdat de minister na zes weken geen reactie heeft gegeven op zijn aanvraag voor een laissez-passer. De rechtbank oordeelt echter dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar Senegal bestaat, en dat de minister enige tijd gegund moet worden om de uitzetting te realiseren.

Eiser voert verder aan dat de minister had moeten volstaan met een meldplicht in plaats van bewaring, gezien zijn medische situatie na een hartoperatie. De rechtbank oordeelt dat de minister geen aanleiding had om een lichter middel te hanteren, omdat de maatregel van bewaring is opgelegd vanwege het risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter G.W.B. Heijmans en is openbaar gemaakt op 13 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek 9 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 december 2025 (in de zaak NL25.56918 [1] ) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 december 2025.
Ontbreekt zicht op uitzetting naar Senegal?
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting naar Senegal ontbreekt, omdat de minister na zes weken na indiening van de aanvraag voor een laissez-passer nog altijd geen enkele reactie heeft gekregen. Van Senegal had tenminste een ontvangstbevestiging verwacht mogen worden. Verder voert eiser aan dat na zes weken ook de redelijke termijn is overschreden waarbinnen tenminste een agendering van de benodigde presentatie in persoon verwacht mag worden. Eiser is van mening dat de minister de gemiddelde doorlooptijd van een lp-aanvraag bij Senegal vanuit detentie van 2024 tot heden in het geding dient te brengen.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in het algemeen zicht op uitzetting naar Senegal. Zoals eerder in de uitspraak van 5 december 2025 is geoordeeld, volgt uit de cijfers en de toelichting die de minister op zitting heeft gegeven namelijk dat er in 2024 en 2025 daadwerkelijk lp’s zijn verstrekt en uitzettingen naar Senegal hebben plaatsgevonden. De minister mag ook enige tijd gegund worden om de uitzetting te realiseren en er is pas recent een lp-aanvraag voor eiser gedaan. Daarom kan op dit moment niet de conclusie worden getrokken dat geen zicht op uitzetting bestaat. Voor zover eiser aanvoert dat er geen zicht is op uitzetting naar Senegal, omdat hij nog niet is gepresenteerd aan de Senegalese autoriteiten, slaagt dat beroep niet, nu in zijn algemeenheid zicht op uitzetting bestaat naar Senegal. De enkele omstandigheid dat eiser zes weken na de lp-aanvraag nog niet is gepresenteerd aan de Senegalese autoriteiten, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Belangenafweging en lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een meldplicht tijdens de duur van de lp-procedure. Eiser is namelijk volkomen afhankelijk van medicatie na een hartoperatie. Hierdoor is eiser gebonden aan Nederland en is hij bereid om zich aan elke redelijke voorwaarde te houden.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Niet valt in te zien waarom de minister in de bereidwilligheid van eiser om aan zijn vertrek mee te werken, aanleiding had moeten zien om een lichter middel te hanteren. De maatregel van bewaring is immers (onder meer) opgelegd vanwege een risico op onttrekking aan het toezicht en het is niet gesteld of gebleken dat dit risico inmiddels niet meer bestaat. Eisers medische situatie maakt dat niet anders, waarbij ook niet is gebleken dat eiser medische zorg nodig heeft die in het detentiecentrum niet voorhanden is. In het detentiecentrum is sprake van medische zorgverlening die gelijkwaardig is aan de gezondheidsvoorzieningen in de vrije maatschappij. [2] Voor zover eiser betoogt dat hij vanwege zijn medische situatie niet kan worden uitgezet naar Senegal, verwijst de rechtbank naar het oordeel van deze zittingsplaats in de uitspraak van 5 december 2025.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Zoals eerder is geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 november 2025 over een eerder aan eiser opgelegde maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000, ECLI:NL:RBDHA:2025:22296.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).