ECLI:NL:RBDHA:2025:22296

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.54662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 en de beoordeling van asielaanvraag

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een eiser, die een asielaanvraag heeft ingediend. De minister van Asiel en Migratie had op 6 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. Tijdens de zitting op 18 november 2025, die via videoverbinding plaatsvond, hebben zowel eiser als zijn gemachtigden alsook de gemachtigde van de minister hun standpunten toegelicht. De rechtbank heeft de gronden van de minister beoordeeld en geconcludeerd dat de zware gronden, zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist zijn. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank oordeelde dat zijn argumenten niet afdoen aan de feitelijke juistheid van de gronden. Eiser voerde ook aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, maar de rechtbank oordeelde dat de minister terecht de maatregel van bewaring had opgelegd, gezien de medische zorg in het detentiecentrum en het risico op onttrekking aan toezicht. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025, met behulp van een videoverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a betoogt eiser dat deze grond niet aan hem kan worden tegengeworpen omdat eiser lang geleden naar Nederland is gekomen. Eiser betoogt dat het mogelijk moet zijn om zonder paspoort asiel aan te vragen. Eiser voert aan dat zware grond 3b ook niet aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser verbleef in de noodopvang en is met onbekende bestemming vertrokken. Dit kwam door zijn verslaving. Dit leidt niet automatisch tot onttrekking aan het toezicht. Met betrekking tot zware grond 3c betoogt eiser dat deze grond niet aan hem kan worden tegengeworpen omdat hij een lopende asielaanvraag heeft.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zware gronden 3a, 3b en 3c de maatregel van bewaring dragen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat kan worden volstaan met de feitelijke juistheid van zware gronden 3a, 3b en 3c. [1] In zoverre eiser heeft betoogd dat de motivering van de minister niet ziet op het risico op onttrekking, oordeelt de rechtbank dat de feitelijke juistheid voldoende is voor zware gronden 3a, 3b en 3c. Eiser heeft met zijn betoog de feitelijke juistheid van zware gronden 3a, 3b en 3c niet betwist. Eiser betwist niet dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Het enkele betoog van eiser dat het mogelijk moet zijn om zonder paspoort asiel aan te vragen doet niet af aan de feitelijke juistheid. Eiser betwist ook niet dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Eiser betoogt dat dit kwam door zijn verslaving. Dit is echter geen verschoonbare reden voor onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen en dit doet ook niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook zware grond 3c is feitelijk juist. Eiser heeft op 14 januari 2022 een terugkeerbesluit gekregen. Het betoog van eiser maakt niet dat deze zware grond feitelijk onjuist is. Deze gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser verwijst hierbij naar zijn fysieke problemen. Eiser heeft een hartoperatie gehad en slikt daar medicatie voor. Daarom zal hij zich niet aan het toezicht onttrekken. In Senegal is de juiste medische zorg niet voor handen. De belangenafweging had dan ook in het voordeel van eiser moeten uitvallen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank had de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Hierbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in het detentiecentrum sprake is van medische zorgverlening die gelijkwaardig is aan de gezondheidsvoorzieningen in de vrije maatschappij. Dit is door de minister betrokken in de belangenafweging in het kader van de maatregel van bewaring. Van een terugkeer naar Senegal is geen sprake, nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend. Verder is van belang dat er voldoende gronden zijn om de maatregel van bewaring te dragen, waaruit ook het onttrekkingsrisico volgt. Eiser heeft zich ook eerder aan het toezicht onttrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858. Hier ook nog Adrar noemen!