ECLI:NL:RBDHA:2026:493

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.38157
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Artikel 18, derde lid, Eurodacverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland

Eiser heeft op 14 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland, die door de minister op 7 augustus 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser betwist deze niet-ontvankelijkheid en voert aan dat de Duitse grensweigering een bredere reikwijdte heeft dan door de minister aangenomen.

De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 16 april 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland en dat dit volgens Eurodac-gegevens en recente communicatie met Duitse autoriteiten nog steeds het geval is. De grensweigering van 10 juni 2024 is gebaseerd op het ontbreken van geldige reisdocumenten en niet op beëindiging van de beschermingsstatus.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van de actuele Eurodac-gegevens en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn beschermingsstatus is beëindigd. De beroepsgronden falen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38157

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de behandeling van NL25.38158, op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedure
3. Eiser heeft op 23 augustus 2024 een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 4 oktober 2024 heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser sinds 16 april 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland. Bij uitspraak van 7 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep van eiser daartegen ongegrond verklaard. [1] Bij uitspraak van 4 maart 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2] Het besluit van 4 oktober 2024 staat daarmee in rechte vast.
Het bestreden besluit
4. Eiser heeft vervolgens op 24 april 2025 opnieuw asiel aangevraagd in Nederland.
De minister heeft die asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Dit blijkt uit de Eurodac-gegevens – geraadpleegd op 25 april 2025. De minister gaat ervan uit dat de informatie in het Eurodac-systeem actueel is, gelet op het geringe tijdsverloop tussen het raadplegen daarvan en het bestreden besluit. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten naar voren gebracht om aan te nemen dat de internationale bescherming is beëindigd. De tijdens het gehoor aanmeldfase van 4 augustus 2025 overgelegde documenten bevestigen volgens de minister juist dat eiser internationale bescherming geniet. Over de grenstoegangsweigering door Duitsland van 10 juni 2024 stelt de minister zich op het standpunt dat de grensbewaking enkel de aanwezigheid van de noodzakelijke documenten controleert en geen verdere beoordeling maakt. De grenstoegangsweigering is in dit geval aan eiser opgelegd, omdat hij geen documenten kon overleggen die de binnenkomst in Duitsland legitimeerden.
Is de aan eiser toegekende internationale bescherming beëindigd?
5. Eiser voert aan dat hij een Einreisverweigerung (grenstoegangsweigering) heeft overgelegd. Het betreft volgens hem hier een onthouding van toestemming door de Duitse autoriteiten om Duitsland te mogen inreizen. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de weigering van toegang is opgelegd, omdat eiser geen documenten kon overleggen die de binnenkomst legitimeren. Door te stellen dat het document betrekking heeft op de vraag of eiser al dan niet gerechtigd is om Duitsland in te reizen, is de minister volgens hem ten onrechte uitgegaan van een beperkte interpretatie van het document. Uit de opmaak van het formulier blijkt dat het inreizen in Duitsland kan worden geweigerd niet alleen op grond van het ontbreken van de vereiste documenten, maar ook omdat men niet beschikt over een geldig visum of een geldende verblijfstitel. Ook andere redenen, niet gelegen in het ontbreken van vereiste documenten, worden in het formulier genoemd op grond waarvan het inreizen kan worden geweigerd. Daaruit blijkt volgens eiser dat het document een reikwijdte heeft die veel verder gaat dan enkel een controlemiddel op de vereiste reisdocumenten. Daar wordt ten onrechte aan voorbijgegaan door de minister zodat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser in het verleden een verblijfsvergunning voor subsidiaire bescherming van de Duitse autoriteiten heeft gekregen. Wel staat ter discussie de vraag of deze beschermingsstatus door de Duitse autoriteiten is beëindigd.
7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat als uit het Eurodac-systeem volgt dat een internationale beschermingsstatus is verleend, de minister daarvan mag uitgaan. [3] Van belang is dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Als een internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd, dan wordt dat verwerkt in het Eurodac-systeem. [4] Verder is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat een internationale beschermingsstatus alleen eindigt na een besluit daartoe, na een individuele beoordeling en dat het aan de betrokken vreemdeling is om dit aannemelijk te maken. [5]
8. De rechtbank stelt vast dat de minister het standpunt dat eiser nog steeds internationale bescherming heeft in Duitsland, baseert op de uitslag van het Eurodac-onderzoek op 25 april 2025. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in deze procedure recentelijk, te weten op19 augustus 2025, contact heeft opgenomen met de Duitse autoriteiten met betrekking tot de toegang tot Duitsland. Daarop hebben de Duitse autoriteiten op dezelfde datum gereageerd met toestemming voor inreis. Daarbij verzoeken de Duitse autoriteiten om minstens zeven werkdagen van tevoren bekend te maken wanneer de overdracht plaats zal vinden, zodat de grensbewaking hiervan op de hoogte kan worden gesteld.
9. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het Eurodac-onderzoek en uit de van de Duitse autoriteiten verkregen informatie, die concreet op de persoon van eiser betrekking heeft, voldoende duidelijk dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. De rechtbank ziet ook geen grond voor twijfel aan de actualiteit van deze informatie. Zoals bovendien volgt uit de hiervoor onder 7 genoemde rechtspraak moet een lidstaat een internationale-beschermingsstatus expliciet beëindigen of intrekken en dat kan alleen na een individuele beoordeling. In dit geval zijn er geen aanwijzingen dat de Duitse autoriteiten dat hebben gedaan. Uit de grenstoegangsweigering van 10 juni 2024 blijkt dat eiser geen geldige reisdocumenten bij zich had. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de grensbewaking enkel de aanwezigheid van de noodzakelijke documenten controleert en dat de grenstoegangsweigering is opgelegd, omdat eiser geen documenten kon overleggen die de binnenkomst in Duitsland legitimeerden. Dat er andere redenen op de grenstoegangsweigering staan vermeld die aangevinkt kunnen worden, is op zichzelf juist, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant, nu deze redenen niet zijn aangevinkt. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verblijfsrecht door de daartoe bevoegde Duitse autoriteiten is beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eerder aangevoerde stukken/gronden
10. Daarnaast heeft eiser voor het overige verzocht wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser nagestreefde resultaat. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL24.39851.
3.Bijvoorbeeld ABRvS 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, r.o. 4.10.
4.Zie artikel 18, derde lid, van de Eurodacverordening.
5.Bijvoorbeeld ABRvS 12 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2251, herhaald op 22 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:740.