ECLI:NL:RBDHA:2026:492
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van asielaanvraag door gebrek aan procesbelang na MOB-melding
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de afwijzing van een asielaanvraag. De eiser had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 29 juli 2025 als ongegrond was afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, omdat geen van de partijen gebruik heeft gemaakt van het recht om ter zitting te worden gehoord.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen procesbelang meer had. Dit oordeel is gebaseerd op een melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, waaruit bleek dat eiser op 29 augustus 2025 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat eiser onbekend is vertrokken, kan betekenen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De gemachtigde van eiser had op 3 november 2025 aan de rechtbank laten weten dat hij al geruime tijd geen contact meer had met eiser, wat de rechtbank deed concluderen dat eiser geen procesbelang meer had.
De rechtbank heeft in haar beslissing benadrukt dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens gebrek aan belang, vooral in gevallen waar een MOB-melding is gedaan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.