ECLI:NL:RBDHA:2026:4898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
699594
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 6:21 AwbArt. 6:228 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing executoriaal beslag op sculptuur na vaststellingsovereenkomst kinderopvangtoeslagaffaire

In deze zaak vordert de Staat opheffing van het executoriaal beslag dat door [gedaagde] is gelegd op een bronzen sculptuur, vanwege een lopende compensatieprocedure in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire.

[gedaagde] had bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het UHT over compensatie voor toeslagjaren, waaronder 2015. Tegelijkertijd sloot zij een vaststellingsovereenkomst met de Staat via Stichting Gelijkwaardig Herstel, waarin finale kwijting werd gegeven en lopende bezwaar- en beroepsprocedures werden ingetrokken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het bezwaar over 2015 is ingetrokken en dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de Staat opdroeg te beslissen op het bezwaar niet kan worden gebruikt om alsnog dwangsommen te innen. Het beslag op de sculptuur wordt daarom opgeheven wegens misbruik van executiebevoegdheid door [gedaagde].

Uitkomst: Het executoriaal beslag op de sculptuur wordt opgeheven wegens intrekking van het bezwaar en misbruik van executiebevoegdheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699594 / KG ZA 26/165
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 6 maart 2026
in de zaak van
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën)te Den Haag,
eiser,
advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Staat’ en ‘[gedaagde]’.
Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.J.M. Imthorn, griffier.
Ook zijn aanwezig:
de heer mr. [naam 1] (hoofd juridische zaken en vaktechniek DG Toeslagen) namens de Staat, vergezeld van advocaat mr. M.R. van der Zee (kantoorgenoot van mr. Langbroek), en [gedaagde].
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

feiten
1.1.
[gedaagde] heeft in februari 2021 een aanvraag ingediend voor compensatie bij de Uitvoergingsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: Het UHT). In die aanvraag heeft zij verzocht om de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2009 tot en met 2016 opnieuw te beoordelen.
1.2.
Het UHT heeft op 10 oktober 2022 besloten dat [gedaagde] recht heeft op een compensatievergoeding voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2014, omdat in die jaren fouten zijn gemaakt. Voor de andere jaren bestond er volgens het UHT geen recht op compensatie. Omdat [gedaagde] het niet eens was met deze beslissing, heeft zij op 10 november 2022 daartegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Vanwege het grote aantal aanvragen en bezwaren lukte het het UHT niet om op tijd op het bezwaar van [gedaagde] te beslissen. Om die reden heeft het UHT begin 2024 al eens door de bestuursrechter opgelegde (en verbeurde) dwangsommen aan [gedaagde] betaald.
1.4.
Op 15 februari 2024 heeft [gedaagde] zich opnieuw tot de bestuursrechter gewend om een beslissing op haar bezwaar van 10 november 2022 af te dwingen. De Staat heeft in die procedure op 6 maart 2024 een verweerschrift ingediend waarin hij zich (nog altijd) beriep op overmacht.
1.5.
Gedurende deze procedure hebben [gedaagde] en de jurist van het UHT die haar bezwaar behandelde (hierna: de bezwaarjurist) contact gehad over de afhandeling van het bezwaar. Op 23 mei 2024 hebben zij telefonisch gesproken over een compensatievergoeding voor het toeslagjaar 2015.
1.6.
In de tussentijd heeft [gedaagde] ook via het traject van Stichting (Gelijk)waardig Herstel (hierna: SGH) geprobeerd om de door haar als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire geleden schade vergoed te krijgen. Dat traject heeft geleid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met de Staat. [gedaagde] heeft die overeenkomst op 3 juni 2024 getekend, nadat de Staat dat al eerder had gedaan. In de vaststellingovereenkomst is onder meer vastgelegd dat de Staat nog een aanvullende compensatievergoeding aan [gedaagde] betaalt van € 167.741,00. Daarnaast staat in artikel 4 van Pro die overeenkomst het volgende:
Artikel 4 - Finale kwijting
1. Met het sluiten van deze overeenkomst verklaren Partijen over en weer dat zij geen vordering meer op elkaar hebben in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire zoals nader omschreven in de overwegingen van deze overeenkomst.
2. De Gedupeerde verklaart af te zien van (een poging) om elders een vergoeding voor schade te verkrijgen voor hetgeen verband houdt met de kinderopvangtoeslagaffaire, nu enig geschil of onzekerheid daarover met deze vaststellingsovereenkomst wordt beslecht.
Voorgaande staat er niet aan in de weg dat partijen met elkaar in gesprek treden wanneer
na ondertekening sprake blijkt te zijn van nieuwe feiten of omstandigheden (novum).
3. De Staat verklaart dat het bedrag dat in deze vaststellingsovereenkomst wordt
overeengekomen niet zal worden teruggevorderd; ook niet op basis van artikel 6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
4. Voor zover van toepassing: door ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst zal de Gedupeerde vanaf de datum van ondertekening geen vervolg meer geven aan een
aanhangige bezwaar- of beroepsprocedure tegen compensatiebesluiten in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire en de hersteloperatie. Gedupeerde heeft door middel van
ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst te kennen gegeven het bezwaar/beroep in te trekken. Deze VSO kwalificeert als een schriftelijke intrekking in de zin van artikel 6:21 Awb Pro. De Gedupeerde verklaart te begrijpen welke gevolgen het intrekken van het bezwaarschrift of van het (hoger) beroepschrift heeft.
In de begeleidende brief bij de vaststellingsovereenkomst zijn de gemaakte afspraken samengevat en toegelicht. Over de finale kwijting staat in de brief het volgende:
“Wat is finale kwijting?
Als u het eens bent met wat er in de vaststellingsovereenkomst staat, dan kunt u deze
ondertekenen. Als u ondertekent, gaat u akkoord met ‘finale kwijting’. Ook dat is een juridisch woord. Het doel van finale kwijting ís om een zaak definitief af te sluiten (finaal) en dat geen van de partijen nog van de ander iets kan verlangen (kwijting). Het betekent dat u met de overheid afspreekt dat door deze schadevergoeding
alleschade die u heeft geleden door de kinderopvangtoeslagaffaire vergoed is. U kunt dus op geen enkele andere manier nog gecompenseerd worden voor de toeslagenaffaire. U kunt niet (meer) in bezwaar of beroep gaan omdat u met het zetten van uw handtekening zelf kiest voor deze manier van definitieve afdoening zonder dat u (of de overheid) daar verplicht toe bent. Dat heet “vrijwillige aanvaarding”.
1.7.
Op 10 juli 2024 heeft de bezwaarjurist van het UHT een e-mail naar [gedaagde] gestuurd met daarin een samenvatting van de inhoud van het telefoongesprek van 23 mei 2025. De bezwaarjurist bevestigt in de e-mail dat hij van mening is dat er sprake is van vooringenomen handelen over het toeslagjaar 2015.
1.8.
Vervolgens stuurde de bezwaarjurist op 31 juli 2024 opnieuw een e-mail aan [gedaagde] (en haar advocaat). In die e-mail schreef hij:
“Gebleken is dat [gedaagde] via Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) een VSO heeft getekend op 3 juni 2024. In artikel 4 van Pro deze VSO is onder andere bepaald dat [gedaagde] afziet om elders een vergoeding voor schade te verkrijgen voor hetgeen verband houdt met de kinderopvangtoeslagenaffaire. Daarnaast heeft u met het VSO aanhangige bezwaarprocedures (zoals deze) ingetrokken. De door mij voorgestelde compensatievergoeding kan dus geen doorgang vinden.”
1.9.
Op 27 februari 2025 heeft de rechtbank Amsterdam, zonder nog een zitting te houden, uitspraak gedaan in de beroepsprocedure die in februari 2024 door [gedaagde] was gestart (zie 1.4). In die uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep van [gedaagde] gegrond. De rechtbank droeg de Staat op om binnen 14 dagen alsnog een beslissing op het bezwaar van [gedaagde] van 10 november 2022 te nemen en bepaalde dat als hij dat niet doet een dwangsom van € 100,00 per dag wordt verbeurd met een maximum van € 15.000,00.
1.10.
[gedaagde] heeft na deze uitspraak het UHT gevraagd om het maximum aan verbeurde dwangsommen op basis van laatstgenoemde uitspraak, te betalen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zolang de compensatievergoeding voor het toeslagjaar 2015 niet is betaald, het bezwaar nog niet is afgehandeld.
1.11.
Op 22 september 2025 heeft [gedaagde] de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening de Staat op te dragen het bezwaar van verzoekster van 10 november 2022 met betrekking tot het toeslagjaar 2015 gegrond te verklaren en haar compensatie toe te kennen voor dat toeslagjaar. Ook heeft zij verzocht om de Staat op te dragen de eerder opgelegde dwangsom wegens niet tijdig beslissen te betalen. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken op 6 november 2025 afgewezen. Over het eerste verzoek overwoog de voorzieningenrechter onder meer het volgende:
5.3
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zelfs als wordt aangenomen dat door de
medewerker toezeggingen zouden zijn gedaan aan verzoekster over toeslagjaar 2015, dat
(anders dan verzoekster meent) niet wil zeggen dat verweerder zonder meer gehouden is die
toezegging na te komen na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Dat intern bij
verweerder iets fout is gegaan waardoor de medewerker niet op de hoogte was van het
traject bij Stichting Gelijkwaardig Herstel, maakt ook niet dat verweerder na het sluiten van
de vaststellingsovereenkomst alsnog op het bezwaar dient te beslissen. Het vertrouwensbeginsel strekt namelijk niet zo ver dat gewekte verwachtingen zonder meer
moeten worden nagekomen. Het kan wel leiden tot een plicht tot schadevergoeding. Dat
eiseres als gevolg van de opstelling van de medewerker van verweerder schade heeft
geleden is niet gesteld en ook niet aannemelijk, juist in het licht van het traject bij Stichting
Gelijkwaardig Herstel. Dat traject beoogt immers tot een finale kwijting te komen. Er blijkt
ook niet dat in het traject toeslagjaar 2015 niet is meegenomen. Verweerder heeft zelfs
onbetwist gesteld dat dat er ook onderdeel van uitmaakte.
5.4.
Onder die omstandigheden mag verweerder verzoekster houden aan de
ondubbelzinnige tekst van die overeenkomst, mede gelet op het traject van totstandkoming
ervan. Dat traject vond ook niet plaats onder verweerders verantwoordelijkheid, maar onder
regie van een (onpartijdige) derde, Stichting Gelijkwaardig Herstel.
5.5.
Er is dan ook geen reden om verweerder alsnog op te dragen te beslissen op het
bezwaar van verzoekster met betrekking tot toeslagjaar 2015.
Over de betaling van de opgelegde dwangsom oordeelde de voorzieningenrechter – kort gezegd – dat [gedaagde] daarvoor aan het verkeerde adres was:
“Tegen het niet-uitvoeren van een rechterlijke uitspraak kan verzoekster opkomen bij een burgerlijke rechter.”
1.12.
In december 2025 en in januari 2026 heeft [gedaagde] de Staat verzocht het in de uitspraak van 27 februari 2025 vastgestelde maximum aan dwangsommen te betalen. De Staat heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven.
1.13.
Vervolgens heeft [gedaagde] op 4 februari 2026 ten laste van de Staat executoriaal beslag gelegd op de bronzen sculptuur met de naam “[naam sculptuur]”, ontworpen door [naam 2], die staat in de voortuin van het ministeriegebouw van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie en Veiligheid. De veiling van de sculptuur is gepland op 10 maart 2026.
vordering
1.14.
In deze procedure vordert de Staat, zakelijk weergegeven, opheffing van het gelegde beslag. Ook moet volgens de Staat aan [gedaagde] een verbod worden opgelegd om de uitspraak van 27 februari 2025 ten uitvoer te leggen. [gedaagde] voert verweer tegen het gevorderde.
oordeel, motivering
1.15.
De voorzieningenrechter is het met de Staat eens dat het beslag moet worden opgeheven. Waarom de voorzieningenrechter dat vindt wordt hierna toegelicht.
1.16.
Gedurende de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 27 februari 2025 liepen er twee parallelle trajecten gericht op compensatie van de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire: (i) het UHT-traject naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2022 en (ii) het SGH-traject.
1.17.
In mei 2024 heeft [gedaagde] in het UHT-traject met de bezwaarjurist van het UHT gesproken over een compensatievergoeding voor het toeslagjaar 2015. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de daadwerkelijke toekenning van de vergoeding een schriftelijke vastlegging hiervan in een beslissing op bezwaar nodig was. Die beslissing op bezwaar was er voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst niet.
1.18.
Vervolgens heeft [gedaagde] in het SGH-traject, door ondertekening op 3 juni 2024, een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is vastgelegd dat [gedaagde] en de Staat elkaar finale kwijting verlenen. Dat houdt volgens de overeenkomst onder meer in dat met de betaling van het overeengekomen bedrag alle schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van de kinderopvangtoeslag-affaire is vergoed en dat lopende bezwaar- en beroepsprocedures worden ingetrokken.
1.19.
Na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst heeft [gedaagde] opnieuw contact gehad met de bezwaarjurist van het UHT over de compensatievergoeding voor het toeslagjaar 2015, maar ook toen was er nog geen besluit. Op 31 juli 2024 heeft de bezwaarjurist duidelijk gemaakt dat dat besluit er ook niet zou komen, omdat gelet op de afspraken in de vaststellingsovereenkomst de bezwaarprocedure gericht op het toeslagjaar 2015 als ingetrokken moest worden beschouwd. Volgens [gedaagde] kon de bezwaarjurist dat standpunt niet innemen. Zij meent dat zij er gelet op de eerdere toezeggingen van de bezwaarjurist over de compensatievergoeding op mocht vertrouwen dat het bezwaar voor het toeslagjaar 2015 ook na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog zou worden behandeld. De voorzieningenrechter ziet dat anders. Van belang daarbij is de uitspraak van de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2025. Deze rechter heeft al geoordeeld dat [gedaagde] zich gelet op de inhoud en de strekking van de vaststellingsovereenkomst niet kan beroepen op door die toezeggingen gewekt vertrouwen (zie 1.10). De voorzieningenrechter verenigt zich met dat oordeel.
1.20.
In deze procedure geldt dan ook als uitgangspunt dat met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ook het bezwaar met betrekking tot toeslagjaar 2015 is ingetrokken. Op dat bezwaar hoefde dus niet meer te worden beslist. De rechtbank Amsterdam was voorafgaand aan haar uitspraak van 27 februari 2025 niet door [gedaagde] (of de Staat) op de hoogte gesteld van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen intrekking. Dat betekent niet dat die (onherroepelijke) uitspraak, waarin de rechtbank de Staat heeft opgedragen om op straffe van verbeurte van een dwangsom een besluit op het bezwaar van [gedaagde] bekend te maken, kan worden weggedacht. De uitspraak van de rechtbank is op zichzelf geldend. Maar gelet op de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak over de intrekking van lopende bezwaren en beroepen, kan [gedaagde] deze uitspraak niet gebruiken om bij de Staat alsnog dwangsommen te innen. Door dat wel te doen maakt zij misbruik van haar executiebevoegdheid. [1]
1.21.
[gedaagde] heeft er nog op gewezen dat in een identiek dossier van een andere gedupeerde wel dwangsommen door de Staat zijn betaald. Volgens [gedaagde] handelt de Staat in strijd met het gelijkheidsbeginsel door dat in haar geval niet te doen. De voorzieningenrechter volgt ook dit standpunt van [gedaagde] niet. Voor zover al sprake is van een identiek geval, waarin dus na een vaststellingsovereenkomst dwangsommen zijn betaald op basis van een latere rechterlijke uitspraak, geldt dat de Staat heeft aangevoerd dat de betaling van dwangsommen in dat geval berust op een kennelijk fout. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [gedaagde] niet op basis van het gelijkheidsbeginsel van de Staat verlangen die fout nogmaals te maken.
1.22.
De vraag of het standbeeld als een onroerende zaak moet worden aangemerkt, zoals de Staat stelt, kan onbeantwoord blijven, omdat dit gelet op het voorgaande niet relevant is. De uitspraak wordt daardoor niet anders. Om dezelfde reden zal de voorzieningenrechter ook niets zeggen over het volgens [gedaagde] door de Staat gedane – in de ogen van [gedaagde] onrechtmatige - informatieverzoek bij de SGH.
1.23.
Met de onmiddellijke opheffing van het beslag wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende tegemoetgekomen aan de belangen van de Staat. Er bestaat onvoldoende aanleiding te vrezen dat [gedaagde] ondanks de uitkomst in dit geding zal trachten hetzelfde beslag nogmaals te leggen of de uitspraak van 27 februari 2025 op andere wijze zal executeren.
1.24.
In het door de Staat geuite ongemak om deze procedure te voeren, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
heft het door [gedaagde] op 4 februari 2026 ten laste van de Staat gelegde executoriaal beslag op de bronzen sculptuur met de naam “[naam sculptuur]” op;
2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………

Voetnoten

1.[gedaagde] maakt dus misbruik van executiebevoegdheid, zie Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, ook al is in dit geval sprake van een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2025. In Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft de Hoge Raad diens uitspraak uit 1983 van een nadere uitleg voorzien: “In dit verband verdient nog opmerking dat de in de hiervoor in 5.3.3 aangehaalde uitspraak van 22 april 1983 genoemde gevallen – de ten uitvoer te leggen uitspraak berust klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag, respectievelijk de tenuitvoerlegging zal door na deze uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan – slechts voorbeelden zijn van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en dan dus haar bevoegdheid misbruikt. Er bestaat geen aanleiding de bedoelde schorsingsgrond tot deze gevallen te beperken. Er kunnen zich immers ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in art. 3:13 BW Pro genoemde maatstaf.” Vergelijk ook: Hoge Raad 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9224.