Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/9081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:76 AwbArt. 8:84 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechter onbevoegd voor betaling proceskosten en griffierecht na VOG-procedure

Eiser, advocaat van een cliënt, vorderde betaling van proceskosten en griffierecht die door de voorzieningenrechter waren toegekend in een bestuursrechtelijke VOG-procedure. Ondanks meerdere verzoeken had verweerder deze bedragen niet betaald.

De bestuursrechter oordeelde dat de kwestie van betaling een civielrechtelijk executiegeschil betreft en dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:1 Awb Pro niet bevoegd is om hierover te oordelen. De uitspraak van de voorzieningenrechter vormt een executoriale titel die via civielrechtelijke weg kan worden afgedwongen.

De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten en het beroep ongegrond verklaard wegens onbevoegdheid van de bestuursrechter. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of griffierechtvergoeding in deze procedure.

Partijen wordt geadviseerd een gerechtsdeurwaarder in te schakelen of een civiele procedure te starten om betaling af te dwingen. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 14 januari 2026 door rechter Kerstens-Fockens.

Uitkomst: De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd om betaling van proceskosten en griffierecht af te dwingen; dit is een civielrechtelijk executiegeschil.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,voorheen de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

1.1
Eiser heeft in 2023 als advocaat zijn cliënt [naam] (hierna: cliënt) bijgestaan in een bestuursrechtelijke procedure over een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.2
In de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van deze aanvraag heeft eiser namens zijn cliënt een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam.
1.3
Bij besluit van 26 april 2023 heeft verweerder op het bezwaar beslist en de VOG alsnog verleend aan cliënt.
1.4
Namens zijn cliënt heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening vervolgens ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht om een oordeel over de proceskosten en het griffierecht.
1.5
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verweerder veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van €907,- en vergoeding van het griffierecht van €184,-.
1.6
Eiser stelt dat verweerder tot op heden nog niet overgegaan is tot uitbetaling van voornoemde financiële aanspraken, ondanks meerdere schriftelijke verzoeken daartoe.
1.7
Eiser heeft vervolgens dit beroep ingediend en de bestuursrechter verzocht om verweerder tot betaling van deze gelden te dwingen.
1.8
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is om over deze kwestie te oordelen, doet de rechtbank op grond van 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. In artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek kan sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is. Dat is hier het geval.
2.1
Eiser heeft een beroepschrift ingediend met als doel om verweerder tot uitbetaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht te dwingen. Deze betalingsverplichtingen zijn bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2025 aan verweerder opgelegd. Ondanks meerdere verzoeken daartoe, stelt dat eiser dat verweerder tot op heden deze gelden nog niet heeft uitbetaald.
2.2
Op grond van artikel 8:76 en Pro artikel 8:84, vijfde lid van de Awb, levert een uitspraak van de voorzieningenrechter ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht een executoriale titel op die met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat het enige doel van eiser met deze procedure is om verweerder tot uitbetaling van deze gelden te dwingen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het onderhavige geschil dan ook een zuiver civielrechtelijke kwestie die in het geheel beheerst wordt door de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In lijn met vaste jurisprudentie [1] brengt dit met zich dat daadwerkelijke betaling van deze gelden enkel via de civielrechtelijke weg bij verweerder kan worden afgedwongen.
2.3
Gelet op het voorgaande is de bestuursrechter op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb niet bevoegd om kennis te nemen van dit geschil. Het beroep is namelijk niet gericht tegen een appellabel besluit van verweerder, als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Om verweerder tot executie van de betalingsverplichting, voortvloeiend uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2025, te dwingen, kan eiser eventueel een gerechtsdeurwaarder inschakelen, of zo nodig, een procedure starten bij de daartoe bevoegde civiele rechter.

Conclusies en gevolgen

3. De bestuursrechter is onbevoegd. De rechtbank twijfelt niet over dit oordeel en heeft op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb dan ook uitspraak gedaan zonder zitting.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in deze zaak geen aanleiding, nu voor de behandeling van deze zaak niet gebleken is van vergoedbare proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026.
5. Er is voor de behandeling van deze zaak geen griffierecht geheven, dus voor een last tot terugbetaling of vergoeding van het griffierecht bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1850, rechtsoverweging 6.7.