ECLI:NL:RBDHA:2026:489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/9081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid bestuursrechter in civielrechtelijke betalingskwestie

In deze zaak heeft eiser, een advocaat, namens zijn cliënt een beroep ingediend bij de rechtbank Den Haag, nadat verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, niet was overgegaan tot uitbetaling van proceskosten en griffierecht, zoals eerder opgelegd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. De voorzieningenrechter had op 14 februari 2025 bepaald dat verweerder €907,- aan proceskosten en €184,- aan griffierecht moest betalen. Ondanks meerdere verzoeken van eiser om deze bedragen te laten uitbetalen, heeft verweerder dit nagelaten. Eiser heeft vervolgens de bestuursrechter verzocht om verweerder tot betaling te dwingen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat zij onbevoegd is om deze zaak te behandelen, omdat het geschil niet gaat om een appellabel besluit van verweerder, maar om een civielrechtelijke kwestie die onder het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering valt. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting, aangezien voortzetting van het onderzoek niet nodig was. De rechtbank concludeert dat eiser de mogelijkheid heeft om een gerechtsdeurwaarder in te schakelen of een procedure te starten bij de bevoegde civiele rechter om de betaling af te dwingen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of griffierecht, aangezien de bestuursrechter zich onbevoegd heeft verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,voorheen de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

1.1
Eiser heeft in 2023 als advocaat zijn cliënt [naam] (hierna: cliënt) bijgestaan in een bestuursrechtelijke procedure over een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.2
In de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van deze aanvraag heeft eiser namens zijn cliënt een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam.
1.3
Bij besluit van 26 april 2023 heeft verweerder op het bezwaar beslist en de VOG alsnog verleend aan cliënt.
1.4
Namens zijn cliënt heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening vervolgens ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht om een oordeel over de proceskosten en het griffierecht.
1.5
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verweerder veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van €907,- en vergoeding van het griffierecht van €184,-.
1.6
Eiser stelt dat verweerder tot op heden nog niet overgegaan is tot uitbetaling van voornoemde financiële aanspraken, ondanks meerdere schriftelijke verzoeken daartoe.
1.7
Eiser heeft vervolgens dit beroep ingediend en de bestuursrechter verzocht om verweerder tot betaling van deze gelden te dwingen.
1.8
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is om over deze kwestie te oordelen, doet de rechtbank op grond van 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. In artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek kan sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is. Dat is hier het geval.
2.1
Eiser heeft een beroepschrift ingediend met als doel om verweerder tot uitbetaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht te dwingen. Deze betalingsverplichtingen zijn bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2025 aan verweerder opgelegd. Ondanks meerdere verzoeken daartoe, stelt dat eiser dat verweerder tot op heden deze gelden nog niet heeft uitbetaald.
2.2
Op grond van artikel 8:76 en artikel 8:84, vijfde lid van de Awb, levert een uitspraak van de voorzieningenrechter ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht een executoriale titel op die met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat het enige doel van eiser met deze procedure is om verweerder tot uitbetaling van deze gelden te dwingen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het onderhavige geschil dan ook een zuiver civielrechtelijke kwestie die in het geheel beheerst wordt door de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In lijn met vaste jurisprudentie [1] brengt dit met zich dat daadwerkelijke betaling van deze gelden enkel via de civielrechtelijke weg bij verweerder kan worden afgedwongen.
2.3
Gelet op het voorgaande is de bestuursrechter op grond van artikel 8:1 van de Awb niet bevoegd om kennis te nemen van dit geschil. Het beroep is namelijk niet gericht tegen een appellabel besluit van verweerder, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Om verweerder tot executie van de betalingsverplichting, voortvloeiend uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2025, te dwingen, kan eiser eventueel een gerechtsdeurwaarder inschakelen, of zo nodig, een procedure starten bij de daartoe bevoegde civiele rechter.

Conclusies en gevolgen

3. De bestuursrechter is onbevoegd. De rechtbank twijfelt niet over dit oordeel en heeft op grond van artikel 8:54 van de Awb dan ook uitspraak gedaan zonder zitting.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in deze zaak geen aanleiding, nu voor de behandeling van deze zaak niet gebleken is van vergoedbare proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026.
5. Er is voor de behandeling van deze zaak geen griffierecht geheven, dus voor een last tot terugbetaling of vergoeding van het griffierecht bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1850, rechtsoverweging 6.7.