ECLI:NL:RBDHA:2026:4874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
24/1943
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a lid 6 PwArt. 54 lid 3 PwArt. 58 lid 1 PwEuropees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging, intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres

Eiser ontving sinds 2008 bijstand op een bepaald adres. Na een anonieme melding over vermoedelijke illegale overbewoning en een administratief onderzoek met laag water- en energieverbruik, concludeerde het college dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde.

Het college beëindigde de bijstand per 10 mei 2023, trok deze in over de periode vanaf 1 januari 2021 en vorderde de te veel betaalde bijstand terug. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onbetrouwbaarheid van de melding, onrechtmatigheid van het onderzoek en onjuiste motivering.

De rechtbank oordeelde dat het college rechtmatig handelde, het onderzoek binnen de wettelijke bevoegdheid viel en de bewijslast voldoende was. Eiser had zelf verklaard dat hij sinds 2020 bij zijn vriendin woont en het huisbezoek bevestigde het ontbreken van een hoofdverblijf op het uitkeringsadres.

De rechtbank verwierp ook het beroep op het ontbreken van cautie en het argument dat het huisbezoek in strijd was met het EVRM. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1943

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. J. Ameziane)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging en intrekking van eisers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) en de terugvordering van de te veel betaalde bijstand. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging, intrekking en terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstand van eiser heeft beëindigd, ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij afzonderlijke besluiten van 15 mei 2023 (de primaire besluiten) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser beëindigd per 10 mei 2023 en herzien over de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 mei 2023. Het college heeft de te veel betaalde bijstand van € 33.224,41 (bruto) teruggevorderd.
2.1.
Bij het bestreden besluit van 12 februari 2024 is het college bij de beëindiging en de terugvordering gebleven. De herziening heeft het college gewijzigd naar intrekking van de bijstand over de genoemde periode.
2.2.
Eiser heeft met een geschrift van 20 februari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, gedateerd 21 oktober 2024. Bij brief van 22 oktober 2025 heeft eiser aanvullende gronden en een nadere toelichting op de gronden ingediend.
2.3.
Het beroep is op 3 november 2025 gevoegd behandeld met de beroepszaak van eiser met zaaknummer AWB 24/6845. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst in beide beroepen, ten einde het college alsnog in de gelegenheid te stellen om te reageren op de brief van eiser met aanvullende gronden van 22 oktober 2025. Het college heeft op 2 december 2025 gereageerd. Partijen hebben vervolgens desgevraagd niet aangegeven dat zij gehoord willen worden op een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in beide beroepen gesloten en de beroepen gesplitst voor het doen van uitspraak.

Wat aan de procedure vooraf ging

3. Eiser ontving sinds 9 december 2008 bijstand naar de norm van een alleenstaande op het adres [adres 1] te [plaats] (uitkeringsadres). Op 21 maart 2023 heeft het Meld- en Steunpunt Woonoverlast van de dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Den Haag een anonieme melding ontvangen inzake vermoedelijk illegale (over)bewoning op het uitkeringsadres door drie personen.
3.1.
Het college heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van eiser. In dat kader is administratief onderzoek gedaan en is het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd bij het waterleidingsbedrijf (Dunea). Uit de ontvangen informatie is gebleken dat het waterverbruik op het uitkeringsadres 19 m³ was in de periode 22 juni 2019 tot 28 juni 2020, 15 m³ in de periode 28 mei 2020 tot 14 juni 2021 en 8 m³ in de periode 14 juni 2021 tot 28 mei 2022. Ook zijn gegevens ontvangen van de energieleverancier (Eneco) over het gas- en elektriciteitsverbruik op het uitkeringsadres. In de periode 28 januari 2020 tot 6 februari 2021 was het stroomverbruik 341 kWh en het gasverbruik 586 m³, in de periode 6 februari 2021 tot 30 januari 2022 was het stroomverbruik 186 kWh en het gasverbruik 43 m³ en in de periode 30 januari 2022 tot
2 februari 2023 was het stroomverbruik 100 kWh en het gasverbruik 58 m³. Op 28 maart 2023 en 4 april 2023 is geprobeerd een onaangekondigd huisbezoek te verrichten op het uitkeringsadres maar er werd niet opengedaan. Op 10 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden met eiser. Hij heeft tijdens het gesprek onder andere verklaard dat hij sinds 2020 bij zijn vriendin woont. Tot slot is aansluitend aan het gesprek een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2023.
3.2.
Het college heeft bij de primaire besluiten aan de beëindiging, herziening en terugvordering ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiser in ieder geval vanaf 1 januari 2021 tot en met 10 mei 2023 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit blijkt onder andere uit het lage water-, stroom- en gasverbruik, uit de verklaring van eiser zelf en uit hetgeen is aangetroffen tijdens het huisbezoek.
3.3.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Het college blijft bij de beëindiging en terugvordering maar heeft de herziening gewijzigd in een intrekking van de bijstand op grond van eveneens artikel 54, derde lid, van de Pw. Gelet op de resultaten van het onderzoek zijn er voldoende concrete feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat eiser zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres in de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 mei 2023, aldus het college.
4. De beroepsgronden van eiser tegen dit besluit worden hierna besproken.

Beoordeling door de rechtbank

5. De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2021, de datum met ingang waarvan de bijstand is herzien (lees: ingetrokken), tot en met 15 mei 2023, de datum van het primaire besluit tot intrekking.
5.1.
Beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging, intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
6. Eiser voert aan dat de door het college ontvangen anonieme melding niet betrouwbaar was, omdat het college al wist dat eiser niet met zijn kinderen samenwoont en dat zijn moeder allang was overleden. Er is dus een onjuiste melding over eiser gedaan.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De melding raakt in de kern de vraag of eiser zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres 1], alsmede een mogelijk illegale (over)bewoning aldaar. Er was voor het college dan ook voldoende aanleiding om een onderzoek in te stellen. Dat een deel van de melding niet klopte, maakt dit niet anders.
7. Eiser voert verder aan dat het administratief onderzoek van meet af aan niet objectief is geweest en dat het niet voldoet aan de eiser van subsidiariteit en proportionaliteit. Volgens eiser druist het inzetten van een onderzoek op deze manier zozeer in tegen hetgeen van een redelijk handelend overheidsorgaan verwacht mag worden, dat de resultaten ervan moeten worden uitgesloten van het bewijs. Ook dit betoog slaagt niet.
7.1.
Het college heeft een algemene onderzoeksbevoegdheid op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Pw. Deze onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden. Er is geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Dat het college mogelijk ook op andere wijze schriftelijk informatie had kunnen opvragen over de woonsituatie, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Het onderzoek was gericht op het verkrijgen van een waarheidsgetrouw en realistisch beeld van de werkelijke woonsituatie van eiser. Indien het college het onderzoek vooraf zou aankondigen, of schriftelijk gegevens bij eiser zou opvragen, zou dit eiser de mogelijkheid geven om de woonsituatie (tijdelijk) aan te passen of anderszins te beïnvloeden. Het college heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door naar aanleiding van de ontvangen melding administratief onderzoek te doen en gegevens met betrekking tot het water- en energieverbruik op te vragen. Die gegevens zijn rechtmatig verkregen en mochten daarom worden gebruikt in het onderzoek naar de woonsituatie van eiser.
7.2.
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat een laag waterverbruik van minder dan 7 m3 op zichzelf beschouwd een sterke aanwijzing oplevert dat iemand niet op het betreffende adres woont. Uit de van Dunea verkregen gegevens blijkt dat het waterverbruik in de periode van drie jaar voorafgaand aan het onderzoek, van juni 2019 tot en met mei 2022, respectievelijk 19m3, 15m3 en 8 m3 was. Dit is weliswaar iets hoger dan 7m3, maar nog steeds aanzienlijk lager dan het landelijk gemiddelde van 68 m3 voor een éénpersoonshuishouden. Ook het gas- en elektriciteitsverbruik was in deze periode zeer laag. Het opvallend en structureel lage water- en energieverbruik vormde voldoende aanleiding voor nader onderzoek naar de woonsituatie van eiser.
8. De beroepsgrond dat aan eiser voorafgaand aan het verhoor op 10 mei 2023 en het aansluitende huisbezoek niet de cautie is gegeven en dat zijn verklaring niet aan de intrekking van de bijstand ten grondslag mag worden gelegd, slaagt niet. De verklaring is afgelegd in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek, gericht op de – nadere – vaststelling van het recht op bijstand van appellante. Volgens vaste rechtspraak is de bijstandverlenende instantie dan niet verplicht de cautie te geven [1] .
9. Eiser voert in de kern aan dat hij in de te beoordelen periode wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, en dat het college het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betoog slaagt niet op grond van de volgende overwegingen.
9.1.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit het gespreksverslag van
10 mei 2023 blijkt dat eiser, nadat hij was geconfronteerd met de fraudemelding en het lage water- en energieverbruik, een duidelijke verklaring heeft afgelegd over zijn woonsituatie. Hij heeft desgevraagd verklaard dat hij een Somalische vriendin heeft, dat hij elke dag bij haar is op het adres [adres 2], dat hij daar zeven dagen per week slaapt, dat hij ook zijn kleding daar heeft, dat hij de sleutel van haar woning heeft en dat hij daar is gaan wonen sinds 2020. Eiser heeft verder ook alle dertien pagina’s van het gespreksverslag ondertekend. Eiser heeft weliswaar in beroep een medische verklaring overgelegd van de behandelend psychiater en psycholoog, waaruit blijkt dat eiser in behandeling is vanwege een recidiverende depressieve stoornis (matige ernst) en een posttraumatische stress stoornis, maar deze verklaring biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de op zich duidelijke verklaring die eiser heeft afgelegd over zijn persoonlijke en woonsituatie niet betrouwbaar zou zijn. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan eiser expliciet is gevraagd of hij zijn verklaring vrijwillig en zonder dwang heeft afgelegd, waarop eiser bevestigend heeft beantwoord. Ook overigens ziet de rechtbank in de gedingstukken geen aanknopingspunten om te oordelen dat niet uitgegaan kan worden van de juistheid van wat eiser heeft verklaard. Afgezien van die verklaring bieden de overige onderzoeksbevindingen voldoende steun voor de conclusie dat de woning [adres 1] niet daadwerkelijk als hoofdverblijf voor eiser diende. Zo werden bij het huisbezoek nauwelijks kledingstukken van eiser aangetroffen, was de gaskraan dichtgedraaid, was de televisie niet aangesloten en stonden de koel- en vrieskast volledig uit, leeg en met de deuren open. Ook waren geen levensmiddelen of houdbare producten aanwezig. De stelling dat de bevindingen van het huisbezoek buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten omdat deze zijn verkregen in strijd met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), faalt. Eiser heeft vrijwillig toestemming verleend voor het afleggen van een huisbezoek. De rechtbank is niet gebleken dat met het huisbezoek een ongeoorloofde inbreuk op eisers privéleven is gemaakt.
10. Eiser voert aan dat de resultaten van het tweede huisbezoek op 15 mei 2023 vanwege het ontbreken van ‘informed consent’ moeten worden uitgesloten van het bewijs. Ook dit betoog slaagt niet. Uit de gedingstukken blijkt dat voorafgaand aan dat huisbezoek wel sprake was van ‘informed consent’, dat tijdens dit bezoek alleen de stand van de watermeter is opgenomen en dat geen aanvullende vragen zijn gesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser het doel van dit tweede huisbezoek niet heeft begrepen en dat daarom vooraf een tolk had moeten worden ingeschakeld.
11. De uitwijkjurisprudentie waarop eiser zich beroept, houdt in dat het niet aanvaardbaar is dat de bijstandverlenende instantie die twijfels heeft over de opgegeven woon- en leefsituatie, maar op basis van de beschikbare gegevens geen gezamenlijke huishouding kan vaststellen, ‘uitwijkt’ naar de intrekkingsgrond dat door het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen over de woon- en leefsituatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [2] De focus van het onderzoek van het college lag evenwel niet op het vaststellen van een gezamenlijke huishouding. Het college is het onderzoek gestart naar aanleiding van de anonieme melding dat sprake is van illegale (over)bewoning op het uitkeringsadres en dat eiser niet zou wonen op het uitkeringsadres. Het is niet zo dat het college het onderzoek is gestart in verband met het vermoeden van een gezamenlijke huishouding en dat toen de onderzoeksresultaten hiervoor geen toereikende feitelijke grondslag boden, het college de grond heeft gewijzigd. Meteen vanaf de start van het onderzoek is het hoofdverblijf op het uitkeringsadres onderzocht. In dat verband zijn ook de verbruiksgegevens van water, stroom en gas opgevraagd. Het college zag in het relatief lage verbruik van het water aanleiding om verder onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van eiser. Om die reden is eiser ook uitgenodigd voor het rechtmatigheidsgesprek op 10 mei 2023. Tijdens het gesprek heeft eiser zelf duidelijk verklaard over het samenwonen met zijn vriendin. Het college heeft bovendien ook vanaf het begin aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiser zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van eiser op de uitwijkjurisprudentie dus niet.
12.
Eiser heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet gemeld dat hij in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Omdat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld was het college, op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw, gehouden om de bijstand van appellant over de te beoordelen periode in te trekken.
13. Het voorgaande brengt mee dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw ook gehouden was om de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom de bijstand over de (gehele) periode van 1 januari 2021 tot en met 9 mei 2023 wordt teruggevorderd. De onderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met de duidelijke verklaring die eiser heeft afgelegd, bieden daarvoor voldoende steun. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
de griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2024 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2024:2445