Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Samenvatting
Procesverloop
Wat aan de procedure vooraf ging
2 februari 2023 was het stroomverbruik 100 kWh en het gasverbruik 58 m³. Op 28 maart 2023 en 4 april 2023 is geprobeerd een onaangekondigd huisbezoek te verrichten op het uitkeringsadres maar er werd niet opengedaan. Op 10 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden met eiser. Hij heeft tijdens het gesprek onder andere verklaard dat hij sinds 2020 bij zijn vriendin woont. Tot slot is aansluitend aan het gesprek een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2023.
Beoordeling door de rechtbank
9. Eiser voert in de kern aan dat hij in de te beoordelen periode wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, en dat het college het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betoog slaagt niet op grond van de volgende overwegingen.
10 mei 2023 blijkt dat eiser, nadat hij was geconfronteerd met de fraudemelding en het lage water- en energieverbruik, een duidelijke verklaring heeft afgelegd over zijn woonsituatie. Hij heeft desgevraagd verklaard dat hij een Somalische vriendin heeft, dat hij elke dag bij haar is op het adres [adres 2], dat hij daar zeven dagen per week slaapt, dat hij ook zijn kleding daar heeft, dat hij de sleutel van haar woning heeft en dat hij daar is gaan wonen sinds 2020. Eiser heeft verder ook alle dertien pagina’s van het gespreksverslag ondertekend. Eiser heeft weliswaar in beroep een medische verklaring overgelegd van de behandelend psychiater en psycholoog, waaruit blijkt dat eiser in behandeling is vanwege een recidiverende depressieve stoornis (matige ernst) en een posttraumatische stress stoornis, maar deze verklaring biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de op zich duidelijke verklaring die eiser heeft afgelegd over zijn persoonlijke en woonsituatie niet betrouwbaar zou zijn. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan eiser expliciet is gevraagd of hij zijn verklaring vrijwillig en zonder dwang heeft afgelegd, waarop eiser bevestigend heeft beantwoord. Ook overigens ziet de rechtbank in de gedingstukken geen aanknopingspunten om te oordelen dat niet uitgegaan kan worden van de juistheid van wat eiser heeft verklaard. Afgezien van die verklaring bieden de overige onderzoeksbevindingen voldoende steun voor de conclusie dat de woning [adres 1] niet daadwerkelijk als hoofdverblijf voor eiser diende. Zo werden bij het huisbezoek nauwelijks kledingstukken van eiser aangetroffen, was de gaskraan dichtgedraaid, was de televisie niet aangesloten en stonden de koel- en vrieskast volledig uit, leeg en met de deuren open. Ook waren geen levensmiddelen of houdbare producten aanwezig. De stelling dat de bevindingen van het huisbezoek buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten omdat deze zijn verkregen in strijd met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), faalt. Eiser heeft vrijwillig toestemming verleend voor het afleggen van een huisbezoek. De rechtbank is niet gebleken dat met het huisbezoek een ongeoorloofde inbreuk op eisers privéleven is gemaakt.
Eiser heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet gemeld dat hij in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Omdat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld was het college, op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw, gehouden om de bijstand van appellant over de te beoordelen periode in te trekken.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
uitspraak te ondertekenen.