Eiser heeft op 6 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag op 1 februari 2024 afgewezen omdat eiser in de referteperiode van 1 januari 2021 tot 1 juni 2023 niet woonde op het uitkeringsadres, waardoor het inkomen niet kon worden vastgesteld.
Eiser stelde in beroep dat hij wel woonachtig was in de gemeente Den Haag gedurende de referteperiode en dat zijn inkomen niet hoger was dan 110% van de bijstandsnorm, waarmee hij aan de voorwaarden voor de toeslag zou voldoen. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en oordeelt dat het van belang is de woon- en leefsituatie in de referteperiode vast te stellen. De bewijslast hiervoor rust op eiser, die dit niet voldoende heeft aangetoond.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 ongegrond verklaard en het college heeft het recht op individuele inkomenstoeslag op goede gronden afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter C.J. Waterbolk.