ECLI:NL:RBDHA:2026:4803

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/8871
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:453 BWArt. 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid Defensie voor beroepsfout militair arts bij onzorgvuldige diagnose en medicatievoorschrift

Eiser, voormalig militair ambtenaar, kreeg in 2020 testiculaire klachten waarvoor een militair arts een antibioticakuur met levofloxacine voorschreef zonder voldoende diagnostisch onderzoek. Kort na aanvang van de kuur ontstonden ernstige spier- en gewrichtsklachten die langdurig aanhielden. Diverse medische onderzoeken sloten andere oorzaken uit.

De Inspectie Militaire Gezondheidszorg concludeerde dat de klachten met grote waarschijnlijkheid door het medicijn werden veroorzaakt. Eiser stelde de staatssecretaris van Defensie aansprakelijk wegens beroepsfouten van de arts en apotheker, die verweerder betwistte. De rechtbank stelde vast dat de arts niet voldeed aan de professionele standaard, onder meer door het ontbreken van urineonderzoek en onvoldoende differentiaaldiagnose, en onvoldoende waarschuwing voor bijwerkingen.

De rechtbank achtte verweerder aansprakelijk voor de schade door de beroepsfout van de arts, waarbij een bewijsvermoeden van onjuiste diagnose bestond dat verweerder niet kon ontkrachten. De apotheker werd voorlopig buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heropent het onderzoek voor nadere bewijslevering over de omvang van de schade en benoemt een onafhankelijke deskundige voor arbeidsvermogen en zelfwerkzaamheid. De procedure wordt aangehouden tot nadere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris van Defensie aansprakelijk is voor de beroepsfout van de militair arts en heropent het onderzoek voor nadere bewijslevering over de schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8871

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.J. van Benthem),
en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: J.M. Poorthuis).

Inleiding

1. Deze tussenuitspraak heeft betrekking op eisers verzoek om vergoeding van schade, die verband houdt met medische klachten die hij sinds een consult bij een militair arts ondervindt.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
1.3.
Ten behoeve van het onderzoek is op 4 december 2025 een getuige gehoord. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder waren bij het getuigenverhoor aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser was van 1 maart 1988 tot 1 maart 2023 als militair ambtenaar in dienst van Defensie. In zijn laatste functie diende hij als stafadjudant op de [bedrijf] .
3. Begin 2020 kreeg eiser last van een niet-constante, lichte pijn aan zijn rechter testikel. Omdat de klachten medio 2020 nog aanwezig waren en hij het niet volledig vertrouwde, wilde hij zich medisch laten onderzoeken. Omdat hij in het gezondheidscentrum op de kazerne en het militair gezondheidscentrum in zijn woonplaats niet terecht kon vanwege het zomerverlof, is hij door de Centrale Ziekenboeg verwezen naar het gezondheidscentrum van vliegbasis Gilze-Rijen. Daar is hij op 28 juli 2020 gezien door algemeen militair arts [naam 1] .
3.1
Deze arts heeft geconstateerd dat de klachten het meest passen bij epididymitis en heeft een 14-daagse kuur voorschreven. Deze kuur bestond uit het dagelijks innemen van een dosis levofloxacine, een fluorochinoloon-geneesmiddel met antibiotische werking. De arts heeft geen vervolgafspraak gemaakt. Eiser heeft het middel bij de apotheek van het gezondheidscentrum op de vliegbasis verkregen.
4. De testiculaire klachten zijn later in 2020 verdwenen.
5. Een paar dagen na het begin van de kuur begon eiser ernstige spier- en gewrichtsklachten te ervaren, met pijn en een doof gevoel in met name de bovenbenen, knieën en achillespezen, zowel links als rechts. De klachten hielden aan en tegen het eind van 2020 kon eiser bijna niet meer lopen. Vanwege deze klachten heeft hij zich gemeld bij [naam 2] , een bedrijfsarts van Defensie. Die heeft aangegeven dat de klachten een bijwerking kunnen zijn van levofloxacine.
5.1
Eiser is onderzocht door een orthopeed, een neuroloog, een huisarts en een internist, op eventuele afwijkingen die de oorzaak voor de spier- en gewrichtsklachten zouden kunnen zijn. Uit die onderzoeken is niet gebleken van een neurologische of reumatische afwijking, terwijl ook geen spieraandoening of een afwijking in de bloedwaarden is vastgesteld.
5.2
Van 1 september 2021 tot 19 november 2021 heeft eiser een revalidatietraject gevolgd. Dit had niet het gehoopte resultaat.
6. De Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) heeft onderzoek gedaan naar de gang van zaken rond de diagnose, het voorschrijven van het medicijn en de spier- en gewrichtsklachten. Het onderzoek is uitgevoerd door [naam 3] , Brigadegeneraal-arts, tevens Inspecteur Militaire Gezondheidzorg, en [naam 4] , Kolonel-Apotheker, tevens Inspecteur Ketenzorg. Dit onderzoek heeft geleid tot een rapport van 24 maart 2022. Daarin is onder meer geconcludeerd, dat eisers spier- en gewrichtsklachten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de inname van levofloxacine zijn veroorzaakt.
7. In opdracht van eiser heeft ook neuroloog [naam 5] op 12 januari 2023 een rapport uitgebracht. [naam 5] onderschrijft de waarschijnlijkheid dat de spier- en gewrichtsklachten door levofloxacine zijn veroorzaakt.
8. Eiser heeft verweerder aansprakelijk gesteld en gevraagd om erkenning van aansprakelijkheid wegens beroepsfouten van de militair arts en de apotheker. Verweerder heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
9. Op 4 december 2025 heeft de rechtbank [naam 1] als getuige gehoord. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Eisers verzoek om schadevergoeding
10. Eiser verzoekt om vergoeding van schade, bestaand uit: (-) een verlies aan arbeidsvermogen, (-) immateriële schade, (-) schade door een beperkt vermogen zijn huis en tuin te onderhouden, (-) overig materieel nadeel en (-) gemaakte kosten.
11. Volgens eiser is verweerder aansprakelijk voor een beroepsfout van de arts, dan wel de apotheker. Eiser heeft de antibioticumkuur namelijk ondergaan op basis van een onzorgvuldige diagnose en ondeugdelijke informatieverstrekking. Voor epididymitis bestonden onvoldoende aanwijzingen. Eiser leed niet aan de daarvoor kenmerkende symptomen. De arts heeft daarnaast verzuimd de urine van eiser te laten onderzoeken, het risico op blijvende bijwerkingen niet meegewogen en daar ook niet voor gewaarschuwd. Ook de apotheker heeft niets verteld over mogelijke bijwerkingen; de apotheker heeft bovendien geen bijsluiter verstrekt. Daarbij komt, dat de verslaglegging van het consult van 28 juli 2020 onzorgvuldig is.
De reactie van verweerder
12. Volgens verweerder hebben zowel de arts als de apotheker opgetreden als redelijk handelende en redelijk bekwame beroepsbeoefenaren. Verweerder heeft in zijn onderbouwing verwezen naar een advies van chirurg [naam 6] .
Het oordeel van de rechtbank
De toepasselijke rechtsnorm
13. Ter beoordeling ligt voor, of de onder het gezag van het bestuursorgaan vallende arts een als een onrechtmatige gedraging aan te merken fout heeft begaan. Volgens vaste rechtspraak geldt daarvoor als toetsingsmaatstaf of de arts de ambtenaar heeft begeleid en behandeld zoals van een bekwaam en redelijk handelend arts in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht [1] .
13.1
Zoals is uitgemaakt in bestendige rechtspraak, moet een bestuursorgaan de schade vergoeden die het gevolg is van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte, als de kans op de fout is vergroot door diens taakopdracht en het bestuursorgaan zeggenschap had over diens gedragingen. [2]
13.2
Op zorgverleners, zoals bijvoorbeeld artsen of apothekers die als ondergeschikten in dienst zijn van Defensie, rust een zorgplicht. Een schending van die zorgplicht is onrechtmatig en doet zich voor, als een cliënt niet wordt begeleid en behandeld zoals van een bekwaam en redelijk handelend zorgverlener in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. [3] Het handelen wordt beoordeeld naar het niveau dat in redelijkheid wordt verwacht van een gemiddelde zorgverlener, die dezelfde taak uitoefent als de zorgverlener wiens handelen ter discussie staat. In elk geval moet de zorgverlener handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor zorgverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. [4] Daaronder vallen onder meer de richtlijnen, die betrekking hebben op het zorgproces en vastleggen wat noodzakelijk is om vanuit het perspectief van de cliënt goede zorg te verlenen, zoals de behandelrichtlijnen van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Medisch-wetenschappelijke inzichten die bij een zorgverlener in vergelijkbare omstandigheden bekend moesten zijn, geven ook invulling aan de zorgplicht.
Is sprake van een beroepsfout?
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de militair arts zijn zorgplicht geschonden. Hieraan ligt het volgende ten grondslag.
14.1
De rechtbank plaatst bij haar beoordeling voorop, dat voor de handelwijze van de arts tijdens het consult van 28 juli 2020 geen duidelijke medische verantwoording is te vinden in het dossier. Het verslag van het consult werpt geen helder licht op de vraag waarom de arts tot de diagnose epididymitis is gekomen. In het verslag is vermeld dat eiser waarschijnlijk in het verleden aan deze aandoening heeft geleden, maar eiser heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was en daarbij aangevoerd dat het medisch dossier daarvoor geen aanwijzingen geeft - verweerder heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Verder heeft de arts slechts basaal onderzoek verricht, dat niet verder ging dan vragen stellen en palpatie. Uit de beschrijving van de klachten is ook niet op te maken dat deze eenduidig in de richting wezen van epididymitis; een zeurende, lichte pijn die niet constant aanwezig is, kan met verschillende aandoeningen in verband worden gebracht, zoals bijvoorbeeld een liesbreuk of waterbreuk [5] . Bijkomende infectueuze symptomen die de diagnose hadden kunnen ondersteunen, zoals koorts, koude rillingen, mictieklachten of afscheiding uit de urethra, waren verder niet aanwezig.
14.2
Voor een betrouwbare diagnose was het dus essentieel, dat de arts nauwkeurig onderzoek zou doen om vermoedens over de oorzaak van de klachten te kunnen bevestigen en alternatieven te kunnen uitsluiten. De wijze waarop de diagnose is gesteld, is echter niet te rijmen met de
NHG-Behandelrichtlijn Acute epididymitis bij volwassenen,
2016, versie 2.0. Volgens die richtlijn worden klachten als chronisch aangemerkt als ze 6 weken of langer duren. In dergelijke gevallen is de richtlijn verder niet van toepassing en moet de patiënt worden verwezen naar een uroloog. Omdat eiser al meer dan 6 weken met de klachten rondliep, had de arts dus een uroloog moeten inschakelen.
Voor zover verweerder heeft willen betogen dat de klachten niet chronisch waren, maar acuut of subacuut, kan dat niet afdoen aan de verwijtbaarheid. In dergelijke gevallen bepaalt de richtlijn dat de urine van iedere patiënt moet worden onderzocht, dat bij iedere patiënt een nitriettest en een test op de aanwezigheid van leukocyten moet worden verricht en een banale urinekweek moet worden afgenomen. De arts heeft al deze verrichtingen nagelaten. Voor het uitblijven van een urineonderzoek is geen bevredigende verklaring gegeven. Tijdens het getuigenverhoor heeft de arts hierover het volgende verklaard: “
Normaal gesproken doe je urineonderzoek, om infectueuze epididymitis aan te tonen dan wel uit te sluiten. Volgens de NHG-standaard. Als ik het zo lees, zijn er overwegingen geweest, in samenspraak met de patiënt, om dat niet te doen.” Dat het onderzoek is uitgebleven in samenspraak met eiser, zoals de arts verklaart, is niet gestaafd en kan verder ook niet afdoen aan de verantwoordelijkheid van de arts.
14.3
Uit het verslag van het consult komt verder naar voren, dat eiser de aandacht heeft gevestigd op zijn lies. Hij heeft de arts verteld dat de pijn soms richting de rechterlies trekt. Onderzoek naar de liezen lag dus voor de hand en wordt in de voornoemde richtlijn ook geïnstrueerd. Ook dit is niet gebeurd, zonder dat is toegelicht waarom.
14.4
Hierbij is eveneens van belang, dat in 2019 een kennisgeving is verstuurd naar alle artsen en zorgverleners, in onder meer Nederland, over de risico’s van fluorochinoloon-geneesmiddelen. Deze brief is verstuurd door Bayer, namens alle handelsvergunningshouders en in overleg met het Europese geneesmiddelenagentschap (EMA), het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CGB) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. In die brief is dringend en expliciet gewaarschuwd voor risico’s op langdurige, onomkeerbare en invaliderende bijwerkingen op spieren, gewrichten en het zenuwstelsel. Ook hebben het CGB en Bijwerkingencentrum Lareb in 2019 op hun websites voor dergelijke bijwerkingen gewaarschuwd. Hierbij komt dat de Europese Commissie, na lang onderzoek en op advies van het EMA, op 11 maart 2019 heeft bepaald dat het gebruik van fluorochinoloon-antibiotica vanwege deze ernstige risico’s in alle lidstaten moet worden beperkt. De risico’s waarvoor al deze partijen hebben gewaarschuwd zijn betrekkelijk zeldzaam, maar zo ernstig en met zoveel urgentie onder de aandacht gebracht, dat de arts reden te meer had om voorzichtig om te springen met het medicijn en het niet te snel voor te schrijven. De arts was tijdens het consult op de hoogte van deze waarschuwing, nu deze ook werd vermeld op het Farmacotherapeutisch Kompas, dat de arts gebruikt bij het voorschrijven van medicatie. Het voorschrijven van het medicijn, zonder een behoorlijke differentiaaldiagnose en zonder te wijzen op deze ernstige bijwerkingen, getuigt ook daarom van onzorgvuldigheid.
14.5
Gelet op het voorgaande, voldoen de wijze waarop de arts te werk is gegaan bij het bepalen van de diagnose en de beslissing tot voorschrijving van het middel, niet aan de professionele standaard die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mocht worden verwacht.
Is verweerder aansprakelijk?
15. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder aansprakelijk is voor schade die eiser door de beroepsfout van de arts heeft geleden en zal lijden en overweegt daartoe het volgende.
15.1
Eiser lijdt aan medische klachten die in het dagelijks leven beperkend zijn. Dat eiser schade heeft geleden en zal lijden is dan ook aannemelijk.
15.2
Er bestaat voldoende functioneel verband tussen de beroepsfout en het door verweerder aan de arts opgedragen werk. De arts heeft de fout begaan in de sfeer van de aan hem opgedragen werkzaamheden als ondergeschikt werknemer van Defensie. Hieruit volgt dat verweerder aansprakelijk is voor alle schade die aan de beroepsfout van de arts kan worden toegerekend.
15.3
Bovendien is een causaal verband tussen de schade en de beroepsfout aannemelijk.
15.3.1
Het staat niet ter discussie dat eiser langdurige en ernstige klachten heeft aan zijn knieën, pezen, achillespezen en bovenbenen, zowel links als rechts. Deze klachten zijn kort na het begin van de kuur ontstaan en stemmen overeen met de bijwerkingen van levofloxacine, waarvoor onder meer de vergunninghouders en de Europese autoriteiten in 2019 hebben gewaarschuwd. Het IMG heeft in 2022 de conclusie getrokken, dat eisers klachten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn veroorzaakt door de werking van het medicijn. Verweerder heeft geen alternatieve oorzaak aangegeven die geloofwaardig kan worden geacht. Het is daarmee voldoende komen vast te staan, dat de klachten het gevolg zijn van het voorschrijven van dit medicijn.
15.3.2
Of het medicijn al dan niet was voorgeschreven als de arts wél zorgvuldig had gehandeld, hangt in de eerste plaats af van de vraag of de diagnose correct of incorrect was. Over de waarschijnlijke oorzaak van de testiculaire klachten is evenwel geen uitsluitsel te geven. Het is aannemelijk dat dit anders zou zijn geweest als de diagnose volgens de NHG-behandelrichtlijn was uitgevoerd, omdat er dan meer medische gegevens zouden zijn. Dit tekort in het feitensubstraat is dus een gevolg van gebrekkig onderzoek door de arts. Het verslag van de arts is daarnaast summier, geeft een gebrekkig inzicht in de medische verantwoording van de diagnose en bevat een kennelijk onjuiste verwijzing naar eerdere epididymitis. Daarbij is de opstelling van verweerder in deze kwestie zeer afhoudend gebleken; zo heeft verweerder geen inlichtingen ingewonnen bij de arts en verder weinig ondernomen om de feiten boven tafel te krijgen. Van een goed werkgever mocht een actievere bijdrage aan de informatiegaring worden verwacht. Het tekort aan feiten die kunnen staven wat de precieze oorzaak was van de testiculaire klachten, mag dus niet tot het bewijsrisico van eiser worden gerekend. Tegen die achtergrond bezien, leidt de rechtbank uit hetgeen hiervoor is overwogen over de onzorgvuldige handelwijze van de arts een feitelijk vermoeden af, dat de diagnose onjuist was en de levofloxacine niet zou zijn voorgeschreven als de arts zorgvuldig had gehandeld.
15.3.3
Het ligt op de weg van verweerder om dit feitelijk vermoeden te ontkrachten. Daar is verweerder niet in geslaagd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de diagnose inhoudelijk juist was, maar geeft hiervoor onvoldoende feitelijke aanknopingspunten. Het aangehaalde advies van [naam 6] legt onvoldoende gewicht in de schaal. [naam 6] acht de keuze voor levofloxacine juist, maar zijn onderbouwing is vrij algemeen en biedt onvoldoende steun voor de opvatting dat er voldoende concrete aanwijzingen waren voor epididymitis. [naam 6] overweegt bovendien, dat epididymitis eerder bij eiser is gediagnosticeerd en dat hij daarvoor eerder is behandeld, een veronderstelling die niet blijkt uit de stukken en voor onjuist moet worden gehouden. De rechtbank is daarom niet overtuigd van de grondigheid van zijn advies. Ook overigens heeft verweerder geen feiten naar voren gebracht die aannemelijk maken dat eiser aan epididymitis leed, of waaruit anderszins zou blijken dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts tot die diagnose had kunnen komen.
15.4
Met deze stand van zaken behoeft de vraag of de apotheker een beroepsfout heeft gemaakt vooralsnog geen bespreking.
Voortgang van de procedure
16. De rechtbank kan naar de huidige stand van zaken nog niet beslissen over de toewijsbaarheid en de omvang van de verschillende opgevoerde schadecomponenten, terwijl met het oog op het causaal verband per component moet worden bepaald in hoeverre die specifieke schade nog in redelijkheid aan de beroepsfout is toe te rekenen. De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen.
17. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, overige materiële schade en gemaakte kosten, zoals benoemd in het verzoekschrift onder paragraaf X, onderdelen B, C en E, geeft de rechtbank eiser de gelegenheid binnen 6 weken een nadere schriftelijke onderbouwing in te dienen. Verweerder zal vervolgens de gelegenheid krijgen daar binnen 6 weken op te reageren.
18. Daarnaast zal de rechtbank een onafhankelijke deskundige benoemen. Het deskundigenbericht zal betrekking hebben op de mate waarin eiser als gevolg van de voornoemde medische klachten arbeidsvermogen en zelfwerkzaamheid heeft verloren, zoals benoemd in het verzoekschrift onder paragraaf X, onderdelen A en D. Partijen zullen de gelegenheid krijgen om schriftelijk te reageren op een conceptvraagstelling voor de te benoemen deskundige.
19. Vooralsnog wordt iedere verdere beslissing aangehouden. De griffier zal partijen schriftelijk informeren over het vervolg van de procedure.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- bepaalt dat eiser binnen 6 weken na de verzenddatum van deze tussenuitspraak de gelegenheid heeft tot het indienen van een nadere onderbouwing van de schadeposten, genoemd in r.o. 17;
- bepaalt dat de griffier partijen schriftelijk bericht over de gang van zaken rondom de door de rechtbank te benoemen deskundige;
- houdt iedere verdere beslissing aan;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze tussenuitspraak kan nog geen hoger beroep worden ingesteld. Hoger beroep kan tegelijk met een eventueel hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 29 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3861.
2.Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98.
3.zie voetnoot 1.
4.Artikel 7:453 van Pro het Burgerlijk Wetboek en artikel 1, eerste lid van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.