ECLI:NL:RBDHA:2026:4732

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht afgewezen

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 9 februari 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser betwistte slechts één lichte grond, die de minister ter zitting liet vallen.

De rechtbank oordeelt dat de overige gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en dat de minister voldoende heeft aangetoond dat een lichter middel niet volstaat. Eiser is specifiek bevraagd over het toepassen van een lichter middel, maar kon niet aannemelijk maken dat dit hetzelfde effect zou hebben.

Verder is vastgesteld dat de minister voortvarend handelt aan de uitzetting, met onder meer afname van vingerafdrukken en een vertrekgesprek binnen enkele dagen na bewaring. De rechtbank acht het zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn voldoende onderbouwd, mede gelet op vaste jurisprudentie en het ontbreken van tegenbewijs.

Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek leverde geen onrechtmatigheden op. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7236
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Jankie),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser betwist de lichte grond onder 4e. De minister heeft deze grond ter zitting laten vallen.
4. De rechtbank stelt vast dat de overige gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gekeken naar de mogelijkheid om hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Eiser kan terecht voor onderdak bij een vriend. Eiser is hierover onvoldoende bevraagd. De vraagstelling in het gehoor was te algemeen en niet specifiek genoeg.
6. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast is in het gehoor voor inbewaringstelling op pagina 4 aan eiser gevraagd waarom zou moeten worden afgezien van vreemdelingenbewaring en voor een lichter middel gekozen zou moeten worden. De minister heeft eiser hiermee voldoende specifiek bevraagd. Hierop antwoordde eiser “Wat u zegt gaat gebeuren.”. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een lichter middel hetzelfde effect zal hebben als de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit al meer dan zes dagen in bewaring en er zijn nog geen uitzettingshandelingen uitgevoerd, zoals een vertrekgesprek.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 9 februari 2026 zijn vingerafdrukken van eiser afgenomen voor een nieuwe laissez-passer (lp) aanvraag. Daarnaast is op 11 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Eiser heeft al eerder in bewaring gezeten. Destijds is voor eiser een lp aangevraagd, maar deze is nooit verstrekt. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat nu wel een lp voor eiser zal worden verstrekt.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak1 is er in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Tot op heden heeft de minister geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp zal worden afgegeven. Er zijn vooralsnog geen aanknopingspunten om te oordelen dat
het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. Dat eiser in 2023 in bewaring heeft gezeten is vanwege het tijdsverloop geen relevante omstandigheid meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd met de uitspraak van 9 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5027.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.