ECLI:NL:RBDHA:2026:4632

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677799 / FA RK 24-9227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:253c lid 1 en 2 BWArt. 1:253a lid 1, 2 en 5 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming erkenning en gezamenlijk gezag minderjarige met zorgregeling vastgesteld

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, aangezien de moeder haar toestemming weigerde te geven. De vader is de biologische verwekker en de moeder oefent momenteel het alleen gezag uit. De rechtbank oordeelde dat vervangende toestemming kan worden verleend omdat dit niet in strijd is met de belangen van het kind of de moeder.

De rechtbank benoemde eerder een bijzondere curator, maar achtte deze niet langer nodig na de erkenning. Vervolgens werd het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag met de moeder te verkrijgen toegewezen, ondanks dat de moeder hiertegen bezwaar maakte. De rechtbank vond dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en dat de ouders voldoende in staat zijn tot overleg, mede door deelname aan een ouderschapsbemiddelingstraject.

Ten aanzien van de zorgregeling stelde de rechtbank vast dat de huidige regeling, waarbij het kind een groot deel van de tijd bij de vader verblijft, het meest in het belang van het kind is. Een verdere uitbreiding van de zorgregeling werd afgewezen vanwege het recente karakter van de regeling, de vermoeidheid van het kind en de beperkingen van de vader. De ouders bereikten overeenstemming over de vakantie- en feestdagenregeling, die door de rechtbank werd vastgesteld.

De rechtbank bepaalde dat de vader binnen vijf maanden de erkenning bij de gemeente moet registreren en de akte aan de rechtbank moet overleggen. De zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 juli 2026, waarna een definitieve beslissing over het gezag volgt. Proceskosten worden aangehouden omdat nog geen eindbeschikking is gegeven.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming erkenning aan de vader, stelt gezamenlijk gezag vast en bepaalt een zorgregeling conform het belang van het kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9227
Zaaknummer: C/09/677799
Datum beschikking: 5 februari 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de man, hierna: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. den Hoek in Leiden.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in Katwijk,
en ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning:
de minderjarige
[de minderjarige](hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. A.A.G. Balkenende, advocaat in Katwijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 28 januari 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – de bijzondere curator benoemd over [de minderjarige] en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 9 januari 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het rapport van 12 februari 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 19 maart 2025 van de vader, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2025;
  • het bericht van 23 december 2025 van de moeder, met aanvullend verzoekschrift.
  • het bericht van 29 december 2025 van de vader, met gewijzigd verzoekschrift en met bijlage;
  • het bericht van 7 januari 2026 van de moeder.
Op 8 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot november 2023, maar zij hebben niet met elkaar samengewoond.
  • [de minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [de minderjarige] .
  • [de minderjarige] woont bij de moeder.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] door de vader.
  • Bij beschikking van 18 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – bepaald dat:
  • [de minderjarige] voorlopig, naast de begeleide omgangsregeling bij Cardea, bij de vader zal zijn: in de week dat omgang bij Cardea plaatsvindt op maandag van 15.00 uur tot 18.00 uur en in de andere week op maandag en woensdag van 15.00 uur tot 18.00 uur, in de woning en onder begeleiding van de ouders van de vader, waarbij de moeder [de minderjarige] om 15.00 uur bij de vader brengt en de vader [de minderjarige] om 18.00 uur bij de moeder terugbrengt;
  • de moeder de vader eenmaal per maand per e-mail informatie moet verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] .

Verzoek en verweer

De vader verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • een bijzondere curator te benoemen die de belangen van [de minderjarige] behartigt;
  • vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] door de vader;
  • te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen;
  • een zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader de zorg over [de minderjarige] draagt:
  • de ene week van maandag 9.30 uur tot dinsdag 19.00 uur en donderdag 19.00 uur tot maandag 9.30 uur en de andere week van woensdag 9.30 uur tot donderdag 19.00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] naar de moeder terugbrengt;
  • de helft van de vakanties en feestdagen;
- de proceskosten te compenseren.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
  • week 1: van maandag van 9.00 uur tot 18.00 uur, weekend week 1: van vrijdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur, week 2: van woensdag 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur;
  • in de even jaren van 24 december 17.00 uur tot 26 december 10.00 uur en in de oneven jaren van 26 december 10.00 uur tot 27 december 10.00 uur;
  • in de oneven jaren van 31 december 15.00 uur tot 1 januari 13.00 uur.
De bijzondere curator adviseert om het verzoek om aan de vader vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [de minderjarige] toe te wijzen.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Op grond van artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, als een vader een kind wil erkennen, de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – door de toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de vader of de verwekker van het kind is of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen de vader en de moeder staat vast dat de vader de verwekker is van [de minderjarige] .
De vader, de moeder en de bijzondere curator zijn het erover eens dat de vader [de minderjarige] moet erkennen. De vader en de moeder zijn het er echter niet over eens dat de vader mede met het gezag over [de minderjarige] wordt belast. Daarom wil de moeder haar toestemming voor de erkenning niet geven. De vader heeft dus belang bij zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen. Gelet op het voorgaande en omdat er geen sprake van is dat de erkenning een belemmering zal zijn voor de ongestoorde verhouding van de moeder met [de minderjarige] of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] , zal de rechtbank het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen toewijzen.
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing over de erkenning van [de minderjarige] door de vader volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd.
Omdat er al een bijzondere curator over [de minderjarige] was benoemd, zal de rechtbank het verzoek van de vader om een bijzondere curator te benoemen die de belangen van [de minderjarige] behartigt afwijzen bij gebrek aan belang.
Gezamenlijk gezag
De vader wil, conform het uitgangspunt van de wetgever, mede met het gezag over [de minderjarige] worden belast. Volgens de vader is er geen enkele reden waarom de ouders niet met het gezamenlijk gezag kunnen worden belast. De ouders hebben regelmatig contact met elkaar over [de minderjarige] . Hun onderlinge verstandhouding en communicatie is nog niet optimaal, maar na indiening van het verzoekschrift wel flink verbeterd. Daarnaast werken de ouders nog steeds aan een verdere verbetering hiervan met de betrokken hulpverlening bij Cardea.
De moeder kan niet instemmen met het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten. De moeder stelt zich op het standpunt dat afwijzing van het verzoek van de vader in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. De ouders hebben over alles aangaande [de minderjarige] discussie en het lukt hen op geen enkel punt om tot overeenstemming te komen. Het idee van gezamenlijk gezag levert de moeder op dit moment te veel stress en spanning op. Volgens de moeder is er dan ook geen grond voor gezamenlijk gezag.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen.
Hoewel de verstandhouding tussen de ouders en de onderlinge communicatie niet optimaal is, zijn er geen feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit de rechtbank blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin [de minderjarige] klem of verloren raakt of anderszins in haar belangen wordt geschaad. Dat gezamenlijk gezag de moeder meer stress en spanning oplevert, is op zichzelf onvoldoende om dit aan te nemen. De moeder heeft desgevraagd ook geen concrete voorbeelden kunnen geven van situaties waarin de vader recent beslissingen over [de minderjarige] heeft geblokkeerd of tegengewerkt.
Bovendien is gebleken dat het – hoewel [de minderjarige] af en toe vermoeid is – goed gaat met haar en haar ontwikkeling, dat de ouders uitvoering geven aan een uitgebreide zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] en dat de ouders regelmatig contact hebben met elkaar over [de minderjarige] via WhatsApp. De rechtbank acht het van belang dat de vader, net als de moeder, een stem heeft in belangrijke beslissingen die over [de minderjarige] moeten worden genomen.
Daar komt bij dat de ouders deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling, onder meer om hun verstandhouding en communicatie in het belang van [de minderjarige] te verbeteren. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de ouders deze gesprekken op basis van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen voeren. Verder is de rechtbank gebleken dat het de ouders ook wel lukt om afspraken te maken over [de minderjarige] . Daar gaan weliswaar vaak discussies aan vooraf, maar dat doet hieraan niet af. Het is aan de ouders om hierin al samen een weg in te vinden. Zij kunnen hierbij ondersteunding zoeken in het traject Ouderschapsbemiddeling, waar de gesprekken na de zitting weer zullen worden hervat. Op de zitting is het de ouders ook gelukt om overeenstemming te bereiken over de vakantie- en feestdagenregeling.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] dienen te dragen. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten daarom toewijzen.
De rechtbank kan echter pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De vader kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [de minderjarige] bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vader om de akte van erkenning aan de rechtbank toe te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 juli 2026. De rechtbank overweegt dat als de vader aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de zorgregeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In juni 2025 is door deze rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld, naast de begeleide omgang bij Cardea. Omdat Cardea geen aanleiding meer zag om de begeleide omgang voort te zetten, is dit traject gestopt in oktober 2025. Alle contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] vinden sindsdien plaats zonder begeleiding. De zorgregeling is door de ouders in onderling overleg bij Cardea uitgebreid na vaststelling van de voorlopige zorgregeling en vanaf november 2025 is [de minderjarige] in een tweewekelijks schema bij de vader:
  • week 1: op maandag en van vrijdag tot zondag;
  • week 2: van woensdag tot donderdag.
De vader vindt dat deze zorgregeling verder moet worden uitgebreid. Hij wil dat [de minderjarige] de ene week van maandag 9.30 uur tot dinsdag 19.00 uur en donderdag van 19.00 uur tot maandag 9.30 uur bij hem zal zijn en de andere week van woensdag 9.30 uur tot donderdag 19.00 uur plus de helft van de vakanties en feestdagen. De vader wil een gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken. In de huidige zorgregeling slaapt [de minderjarige] per twee weken maar drie nachten bij de vader en dit past volgens de vader niet bij die gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de zorgregeling waaraan de ouders nu uitvoering geven moet worden vastgesteld, in die zin dat [de minderjarige] de ene week op maandag van 9.00 uur tot 18.00 uur en van vrijdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zal zijn en de andere week van woensdag 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur plus een deel van de feestdagen. Een verdere uitbreiding van de zorgregeling, zoals door de vader is verzocht, vindt de moeder niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft moeten wennen aan de huidige zorgregeling en sinds [de minderjarige] vaker bij de vader is, is zij erg moe. Ook heeft de vader moeite met opstaan in de ochtenden en dit staat aan een verdere uitbreiding in de weg, aldus de moeder.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a lid 1 en 2 BW een zorgregeling vaststellen. Op grond van lid 5 van dit artikel beproeft de rechtbank eerst een vergelijk tussen de ouders. Omdat het de ouders op de zitting niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de reguliere zorgregeling, zal de rechtbank een beslissing nemen die zij in het belang van [de minderjarige] acht.
Hoewel de rechtbank de wens van de vader voor een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de vorm van een co-ouderschapsregeling begrijpt, acht de rechtbank dat op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . De huidige zorgregeling – waarbij [de minderjarige] overigens al een groot deel van de tijd bij de vader is – loopt pas sinds november 2025. [de minderjarige] is net gewend aan deze zorgregeling en de rechtbank acht het niet in haar belang dat er op korte termijn weer grote veranderingen worden aangebracht in de zorgregeling. De vader op de zitting toegelicht dat hij beperkingen heeft, waardoor hij moeite heeft met het opstarten in de ochtend. Daarin ziet de rechtbank ook een contra-indicatie om de huidige zorgregeling op dit moment verder uit te breiden met twee extra nachten, zoals door de vader is verzocht. Daar komt bij dat de ouders een belast verleden hebben en dat zij elkaar op dit moment nog onvoldoende kunnen vinden in de voor een volwaardig co-ouderschap benodigde afstemming over de invulling van de zorg voor [de minderjarige] . De ouders moeten hieraan blijven werken bij het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank is van oordeel dat de zorgregeling, zoals door de moeder is verzocht nu het meest in het belang van [de minderjarige] is. De door de moeder verzochte tijden sluiten op dit moment het beste aan bij het ritme van [de minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom in zoverre toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de vader.
De ouders hebben op de zitting wel overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, zoals na te melden in het dictum van deze beschikking, ook omdat zij deze vakantie- en feestdagenregeling in het belang van [de minderjarige] acht.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1982 in [geboorteplaats 2] , toestemming – die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1994 in [geboorteplaats 2] vervangt – tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat [de minderjarige] :
-
voor wat betreft de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:
  • week 1: van maandag van 9.00 uur tot 18.00 uur en van vrijdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • week 2: van woensdag 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur;
-
voor wat betreft de vakanties en feestdagen:
  • de helft van de zomervakantie bij de vader zal zijn, waarbij de ouders de zomervakantie in onderling overleg verdelen volgens het schema 2-2-1-1, waarbij een vakantieweek duurt van zaterdag 12.00 uur tot zaterdag 12.00 uur;
  • de helft van de voorjaarsvakantie en herfstvakantie bij de vader zal zijn, waarbij wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling, inhoudende dat [de minderjarige] tot woensdag 12.00 uur bij de vader is als [de minderjarige] volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend van de vakantie bij de vader is en [de minderjarige] vanaf woensdag 12.00 uur bij de vader is als [de minderjarige] het laatste weekend van de vakantie bij de vader is;
  • de helft van de meivakantie bij de vader zal zijn, waarbij wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling, inhoudende dat [de minderjarige] de eerste week van de meivakantie bij de vader is als [de minderjarige] volgens de reguliere zorgregeling het eerste weekend van de vakantie bij de vader is en [de minderjarige] de tweede week van de meivakantie bij de vader is als [de minderjarige] het tweede weekend van de meivakantie bij de vader is, waarbij een vakantieweek duurt van zaterdag 12.00 uur tot zaterdag 12.00 uur;
  • met de kerstdagen bij de vader zal zijn in de even jaren van 24 december 17.00 uur tot
  • met Oud & Nieuw bij de vader zal zijn in de oneven jaren van 31 december 15.00 uur tot 1 januari 13.00 uur;
  • de helft van de kerstvakantie bij de vader zal zijn, waarbij [de minderjarige] de eerste week van de kerstvakantie bij de vader zal zijn als zij op Eerste Kerstdag bij de vader is en waarbij [de minderjarige] de tweede week bij de vader zal zijn als zij op Tweede Kerstdag bij de vader is;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere verdere beslissing over
het gezag en de proceskostenwordt aangehouden
tot 1 juli 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de vader vóór de pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat als de vader aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
*
wijst af het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 februari 2026.