Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft op 5 januari 2026 geoordeeld dat de minister de maatregel van bewaring rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank concludeert dat er geen gebrek aan zicht op uitzetting is, ondanks het betoog van eiser dat zijn Libische nationaliteit niet is bevestigd en dat hij geen toegang heeft tot psychische zorg in het detentiecentrum. De rechtbank stelt vast dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt, aangezien de aanvraag voor een laissez-passer nog in behandeling is. Eiser heeft niet aangetoond dat hij de Libische nationaliteit bezit en heeft geen inspanningen verricht om Libische identiteitsdocumenten te verkrijgen. Wat betreft de toegang tot psychische zorg, oordeelt de rechtbank dat de medische zorg in het detentiecentrum niet onder de rechterlijke toets valt in het kader van de maatregel van bewaring. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen een week hoger beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.