In deze bestuursrechtelijke zaak staat de maatregel van bewaring centraal die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser betwist deze maatregel en voert onder meer aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat hij onvoldoende toegang heeft tot psychische zorg in het detentiecentrum.
De rechtbank overweegt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, omdat de aanvraag voor een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten nog in behandeling is en eiser zelf in zijn asielprocedure de Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij de Libische nationaliteit bezit.
Ten aanzien van de psychische zorg stelt de rechtbank dat het ontbreken van adequate medische zorg in het detentiecentrum niet kan leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring, mede omdat eiser dit niet voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, blijft de maatregel van bewaring in stand en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.