ECLI:NL:RBDHA:2026:4567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
AWB25.19685 en AWB25.19727
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens niet-ontvankelijkheid bij te laat ingediend bezwaarschrift gecombineerde verblijfs- en arbeidsvergunning

Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende persoon, diende op 9 januari 2025 een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Deze aanvraag werd op 28 mei 2025 afgewezen door verweerder. Eiser diende een bezwaarschrift in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend, namelijk op 31 juli 2025, terwijl de termijn tot uiterlijk 5 juli 2025 liep.

Eiser voerde aan dat de late indiening het gevolg was van stress, onduidelijkheid over de procedure en persoonlijke omstandigheden, waaronder de wens om bij zijn zwangere partner en ongeboren kind te kunnen blijven. Hij stelde dat het bezwaar rond de tweede week van juni via Primera was verzonden, maar niet aangetekend, wat hij niet wist.

De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding aan eiser is toe te rekenen omdat hij geen bijzondere omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de late indiening rechtvaardigen. Het niet weten dat het bezwaar aangetekend moest worden verstuurd, is voor eigen rekening en risico. De rechtbank kon daardoor niet inhoudelijk toetsen of de afwijzing van de aanvraag terecht was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat er geen connexiteit meer was. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het te laat ingediende bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB25.19685 en AWB25.19727
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2025 afgewezen (hierna: het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en de gemachtigde van verweerder. De heer [naam] (coördinator van eiser op zijn werk) was ook aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft op 9 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaarschrift niet binnen de termijn van 4 weken heeft ingediend. De door eiser gegeven reden voor de niet tijdige indiening is niet voldoende om het bezwaarschrift alsnog ontvankelijk te verklaren.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat het van belang is dat hij aanwezig kan blijven in Nederland voor zijn zwangere partner en zijn (nog ongeboren) kind. Het kind zal naar verwachting op 20 april 2026 geboren worden en eiser wil actief betrokken zijn bij de opvoeding en verzorging van zijn kind. Eiser heeft sinds zijn aankomst in Nederland altijd gewerkt en zich actief ingezet voor de samenleving. De late indiening van het bezwaar was het gevolg van stress en onduidelijkheid over de procedure. Destijds had eiser niet de juiste begeleiding en verkeerde hij in een moeilijke persoonlijke situatie. Dit was geen onwil, maar overmacht. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij het bezwaarschrift rond de tweede week van juni via de Primera heeft verzonden, maar niet wist dat dit aangetekend moest.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag en dat dit ook niet verschoonbaar is. Eiser krijgt dus geen gelijk en de rechtbank legt hierna uit waarom.
7. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van vier weken. [1] Deze termijn begint te lopen na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [3] Als een bezwaarschrift te laat wordt ingediend, moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
8. De aanvraag van eiser is met het besluit met dagtekening van 28 mei 2025 afgewezen. Omdat verweerder in het bestreden besluit uitgaat van 30 mei 2025, gaat de rechtbank daar ook van uit. Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag had binnen vier weken na deze datum moeten worden ingediend. Eiser had dus tot 28 juni 2025 om het bezwaarschrift in te dienen. [4] Het bezwaarschrift was tijdig indien het uiterlijk op 5 juli 2025 was ontvangen. [5] Het bezwaarschrift van eiser is echter op 31 juli 2025 ontvangen door verweerder, waardoor het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend.
9. Niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [6] Bij verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding moet rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan het bijvoorbeeld gaan om persoonlijke omstandigheden. [7] Daarnaast kan het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet aan de indiener worden toegerekend als deze daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de termijnoverschrijding aan eiser is toe te rekenen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiser niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat het voor hem onmogelijk is geweest om tijdig bezwaar in te dienen. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit de gegeven redenen niet is te herleiden of vast te stellen dat het door die omstandigheden onmogelijk is geweest om tijdig bezwaar in te dienen. Dat eiser er niet van op de hoogte was dat het bezwaarschrift aangetekend moest worden verstuurd, komt daarbij voor zijn eigen rekening en risico. Verweerder heeft er ook niet ten onrechte op gewezen dat van eiser in redelijkheid verwacht zou mogen worden dat hij hulp van derden zou hebben gevraagd. Oftewel, verweerder heeft het bezwaar terecht niet in behandeling genomen omdat het te laat is ingediend door eiser. Ook heeft eiser geen goede reden gegeven waarom hij het te laat heeft ingediend en heeft hij niet kunnen aantonen wanneer hij het bezwaar via de Primera heeft opgestuurd.
11. Omdat het bezwaar niet op tijd is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank kan dus niet toetsen of de aanvraag van eiser terecht is afgewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser een nieuwe aanvraag kan indienen als hij dat wil, eventueel met behulp van juridische bijstand.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] .
14. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op dinsdag 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 20 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.