ECLI:NL:RBDHA:2026:4566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.36181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.20a VVArt. 3.30 VbArt. 4:2 AwbArt. 3.102 VbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor zelfstandige arbeid

Eiser, een Tadzjiekse zelfstandige ondernemer met een eenmanszaak in klus- en onderhoudswerkzaamheden, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel arbeid als zelfstandige. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende bewijsstukken overlegde om te kunnen toetsen of zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang diende volgens het puntensysteem van de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Eiser voerde aan dat hij voldeed aan de criteria persoonlijke ervaring, ondernemingsplan en toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie, en dat hij een privéleven in Nederland had opgebouwd dat bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende punten behaalde op de criteria, mede door het ontbreken van bewijsstukken zoals een innovatief ondernemingsplan, investeringen, en aantoonbare arbeidsplaatsen in loondienst.

De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht geen gehoor hoefde te geven aan eiser in de bezwaarprocedure omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander besluit konden leiden. Ook werd geoordeeld dat eiser in de bestuursfase geen beroep kon doen op artikel 8 EVRM Pro omdat hij dit niet had aangevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor zelfstandige arbeid is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36181

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Tadzjiekse nationaliteit. Eiser heeft op 7 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser heeft een eenmanszaak met de naam ‘F.S. Construction’, waaronder hij klus- en onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoende stukken heeft overgelegd om toetsing door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) mogelijk te maken. De Minister van EZK kan daardoor dus niet beoordelen of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang, hetgeen is vereist voor toewijzing van de verblijfsvergunning. Daarbij is het op voorhand duidelijk dat de Minister van EZK niet zal kunnen vaststellen dat er met eisers aanwezigheid in Nederland een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, omdat eiser naar alle waarschijnlijkheid niet voldoende punten behaalt in het puntensysteem. In het puntensysteem worden punten toegekend voor de persoonlijke ervaring, het ondernemingsplan en de toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat met zijn arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Eiser voldoet aan de gestelde voorwaarden van het criterium persoonlijke ervaring. Hij is professioneel, oplossingsgericht en beschikt over sterke communicatieve vaardigheden, een verklaring van NDK Vastgoedmanagement onderstreept dit. Ook ten aanzien van het ondernemingsplan voldoet eiser aan de gestelde voorwaarden om voldoende punten te behalen. De bedrijfsactiviteiten zijn van toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie, doordat het bedrijf zich onderscheid door professionaliteit, betrouwbaarheid, flexibiliteit en een snelle en kwalitatief goede uitvoering. Verweerder gaat er daarnaast ten onrechte aan voorbij dat eiser geen last heeft gevormd voor het economische welzijn van Nederland. Verweerder had eisers aanvraag moeten voorleggen aan de Minister van Economische zaken. Ook had verweerder eiser moeten horen. Daarnaast heeft eiser in Nederland privéleven opgebouwd in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . De belangenweging in het kader van dat artikel dient in het voordeel van eiser uit te vallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Aan een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend als aan een aantal voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat een wezenlijk Nederlands belang is gediend met de door eiser verrichte of te verrichten arbeid als zelfstandige. Verweerder bepaalt of daarvan sprake is en daarbij moet hij gebruik maken van een puntenstelsel. [2] Het puntenstelsel [3] omvat drie criteria: (A) persoonlijke ervaring, (B) diens ondernemingsplan en (C) diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.
8. In artikel 3.20a, tweede lid, van het VV staat dat een wezenlijk Nederlands belang is gediend met arbeid als zelfstandige als aan de vreemdeling ten minste 30 punten wordt toegekend voor elk van de drie hiervoor genoemde criteria. Op grond van het derde lid geldt dat tevens een wezenlijk Nederlands belang is gediend als minder dan 30 punten worden toegekend voor de toegevoegde waarde voor de (C) Nederlandse economie en tenminste 45 punten voor zowel (A) persoonlijke ervaring als (B) het ondernemingsplan. Verweerder kan de beoordeling alleen maken op basis van de stukken die worden vermeld in Bijlage 8a van het VV en B6/4.5 van de Vc. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat is voldaan aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang. [4]
9. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet minimaal 30 punten behaalt op diens toegevoegde waarde aan de Nederlandse economie (criterium C). Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat eiser geen stukken heeft overgelegd die innovatie in de zin van de regeling aantonen. Verweerder heeft daarbij mogen tegenwerpen dat niet is aangetoond dat de onderneming arbeidsplaatsen in loondienst creëert. Ook heeft verweerder daarbij kunnen betrekken dat er geen investeringen van meer dan €5.000,- in vaste en/of immateriële activa zijn aangetoond.
10. Ten aanzien van de persoonlijke ervaring (criterium A) heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen 45 punten heeft behaald. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser slechts heeft aangegeven voornemens te zijn een Internationale Diplomawaardering aan te vragen en een taalcursus en een inburgeringstraject te volgen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat bewijsstukken daarover ontbreken. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat de onderneming van eiser pas circa één jaar bestaat, waardoor beperkt gewicht kan worden toegekend aan werkervaring in Nederland en met de Nederlandse markt. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat eiser weliswaar enige punten krijgt voor ondernemerschapservaring en inkomen, maar dat dit niet maakt dat de vereiste 45 punten worden behaald.
11. Verweerder heeft zich ten aanzien van zijn ondernemingsplan (criterium B) ook op het standpunt mogen stellen dat eiser geen 45 punten heeft behaald. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het ondernemingsplan onvoldoende is om de Minister van EZK een adequaat beeld te geven van de marktpotentie, marktanalyse en levensvatbaarheid van de
onderneming. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat uit het ondernemingsplan niet blijkt over welke specifieke competenties eiser beschikt, die relevant zijn voor de Nederlandse bouwsector. Ten aanzien van het in beroep overgelegde ondernemingsplan merkt de rechtbank op dat deze bij de aanvraag of in bezwaar had moeten worden overgelegd, om in de besluitvorming meegenomen te worden. Verweerder is dan ook niet gehouden het ondernemingsplan te beoordelen. Verweerder heeft zich desondanks op het standpunt kunnen stellen dat het in beroep overgelegde ondernemingsplan te summier is. Ook stelt verweerder terecht dat er geen punten kunnen worden toegekend ten aanzien van het banksaldo omdat dit volgens het overgelegde bankafschrift minder dan € 5.000,- is. Ten aanzien van de twee overgelegde verklaringen van de heer [naam 2] , heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat zijn verklaringen niet als objectief bewijs kunnen worden aangemerkt. De heer [naam 2] heeft immers als vertegenwoordiger van eiser opgetreden bij de aanvraag. Ook is hij de huurbaas en opdrachtgever van eiser. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de punten die eiser verkrijgt voor de herschrijving bij de Kamer van Koophandel en de overgelegde facturen en betaalbewijzen, onvoldoende zijn om 45 punten toe te kennen op onderdeel B.
12. Verweerder stelt terecht dat eiser in de bestuurlijke fase geen feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft aangevoerd. Daarom heeft verweerder niet aan artikel 8 van Pro het EVRM hoeven toetsen. Indien eiser meent voor bescherming van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking te komen, staat het hem vrij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [5] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit dus in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie artikel 3.30, tweede lid, van het Vb.
3.Opgenomen in artikel 3.20a, eerste lid, in samenhang met bijlage 8a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).
4.Dit volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb in samenhang bezien van artikel 3.102, eerste lid, van het Vb.
5.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.