ECLI:NL:RBDHA:2026:4566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor zelfstandige arbeid
Eiser, een Tadzjiekse zelfstandige ondernemer met een eenmanszaak in klus- en onderhoudswerkzaamheden, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel arbeid als zelfstandige. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende bewijsstukken overlegde om te kunnen toetsen of zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang diende volgens het puntensysteem van de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Eiser voerde aan dat hij voldeed aan de criteria persoonlijke ervaring, ondernemingsplan en toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie, en dat hij een privéleven in Nederland had opgebouwd dat bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende punten behaalde op de criteria, mede door het ontbreken van bewijsstukken zoals een innovatief ondernemingsplan, investeringen, en aantoonbare arbeidsplaatsen in loondienst.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht geen gehoor hoefde te geven aan eiser in de bezwaarprocedure omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander besluit konden leiden. Ook werd geoordeeld dat eiser in de bestuursfase geen beroep kon doen op artikel 8 EVRM Pro omdat hij dit niet had aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor zelfstandige arbeid is ongegrond verklaard.