ECLI:NL:RBDHA:2026:453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63005
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt of de minister de maatregel van bewaring op de juiste grondslag heeft opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister dit mocht doen, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank legt uit dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er een significant risico op onderduiken bestaat, en dat de maatregel van bewaring rechtmatig is. Eiser heeft ook betoogd dat de minister onvoldoende voortvarend aan de overdracht werkt, maar de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende stappen heeft ondernomen. Uiteindelijk wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. De minister heeft eiser op de juiste grondslag opgehouden, een eventuele onjuiste bekendmaking van het overdrachtsbesluit kan niet afdoen aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring en de minister heeft voldoende uitgelegd waarom in het geval van eiser een significant risico op onderduiken bestaat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser op de juiste grondslag opgehouden?
3. Eiser betoogt dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet op de juiste grondslag is opgehouden. Vóór de inbewaringstelling is aan eiser de mededeling verstrekt dat hij na ontslag uit zijn (voorlopige) strafrechtelijke detentie zou worden opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, of artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 (de zogenoemde M122). Hieruit leidt eiser af dat de politie van mening was dat zijn identiteit voldoende vaststond. Nadien is eiser echter opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Eiser vindt dat in het licht van de M122 onbegrijpelijk en stelt daarom dat hij niet op de juiste grondslag is opgehouden.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Voor de vraag of deze grondslag juist was en de ophouding rechtmatig was, is van belang of wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze bepaling staan vermeld. In dit geval is de voorwaarde dat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De minister wijst er in dat verband terecht op dat eiser in Duitsland onder meerdere aliassen bekend staat [3] en eiser niet in het bezit is van een identiteitsdocument, zodat zijn identiteit niet kon worden vastgesteld. Daarmee was artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 de juiste grondslag voor de ophouding van eiser en was de ophouding ook rechtmatig. Gelet daarop was de minister niet gehouden om eiser een M122 uit te reiken. [4] Dat dit wel is gebeurd en dat in deze M122 een andere grondslag voor de ophouding is vermeld dan waarop de ophouding uiteindelijk is gebaseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Afgezien nog van het feit dat pas op het moment van een ophouding zelf kan worden bepaald op welke grondslag een vreemdeling kan worden opgehouden, doet deze stelling er feitelijk niet aan af dat aan de voorwaarde voor toepassing van de uiteindelijk gebruikte grondslag was voldaan en de ophouding alleen al daarom rechtmatig was.
Is eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld?
4. Eiser betoogt dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000 met het oog op een overdracht aan Duitsland in het kader van de Dublinverordening. In dit kader heeft de minister op 11 november 2025 een overdrachtsbesluit genomen dat is verzonden aan mr. S.F.J. Bergmans. Het is echter onduidelijk of hij de gemachtigde van eiser is en (dus) of het overdrachtsbesluit op rechtsgeldige wijze is bekendgemaakt. Eiser betwist daarom de rechtsgeldige bekendmaking van het overdrachtsbesluit en stelt dat hij niet op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser zijn betoog dat het overdrachtsbesluit niet rechtsgeldig is bekend gemaakt niet heeft onderbouwd, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij eiser op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring mocht stellen. Voor toepassing van artikel 59a van de Vw 2000 is immers slechts vereist dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is. In de maatregel van bewaring heeft de minister gemotiveerd dat de Duitse autoriteiten op 10 november 2025 akkoord zijn gegaan met een claimverzoek van Nederland. Daarmee was op het moment van de inbewaringstelling een concreet aanknopingspunt voor toepassing van de Dublinverordening gegeven. Het betoog dat het overdrachtsbesluit niet rechtsgeldig is bekendgemaakt – wat daar dus overigens ook van zij – kan daar niet aan afdoen. Daarom kan dat betoog ook niet tot het oordeel leiden dat eiser op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld.
5. Voor zover eiser in het verlengde hiervan nog heeft betoogd dat de minister onvoldoende voortvarend aan de overdracht werkt, slaagt dat betoog ook niet. De minister wijst er in dit verband terecht op dat eiser alsnog met het overdrachtsbesluit bekend is geworden door toevoeging daarvan aan het digitaal dossier van dit beroep, zodat het uiterlijk op dat moment aan hem is bekendgemaakt. [5] Bovendien heeft de minister sinds de inbewaringstelling van eiser ook nog andere handelingen verricht die zijn gericht op de overdracht van eiser door op 24 december 2025 een vertrekgesprek met hem te voeren en zijn gemachtigde op 29 december 2025 te informeren over de datum van de overdracht aan Duitsland.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser een significant risico op onderduiken bestaat?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval een significant risico op onderduiken bestaat. De minister heeft in dit verband voornamelijk verwezen naar feiten en omstandigheden die zich langere tijd geleden hebben voorgedaan, maar die zijn volgens eiser niet meer relevant en kunnen de maatregel van bewaring daarom niet dragen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft aan zijn motivering van het significant risico op onderduiken verschillende zware en lichte gronden [6] ten grondslag gelegd. Eiser heeft deze niet zo zeer betwist, maar betoogt meer in het algemeen dat hem niet meer kan worden tegengeworpen wat langer geleden is gebeurd. Eiser gaat er daarmee echter aan voorbij dat bij de vraag of sprake is van een significant risico op onderduiken (mede) relevant is hoe een vreemdeling in het verleden heeft gehandeld en of een vreemdeling zich in het verleden al eens eerder aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Als dat het geval is, dan is dat een indicatie dat het risico bestaat dat de betrokken vreemdeling dat opnieuw zal gaan doen. In zoverre mag de minister bij de motivering van het significant risico op onderduiken in beginsel ook feiten en omstandigheden tegenwerpen die zich langer geleden hebben voorgedaan. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd welke feiten en omstandigheden hem ten onrechte zijn tegengeworpen, zodat de rechtbank in zijn betoog geen reden ziet voor het oordeel dat de minister het significant risico op onderduiken in zijn geval onvoldoende heeft gemotiveerd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond, Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Deze maatregel is gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Zie het claimakkoord van 10 november 2025, p. 1.
4.Vergelijk ABRvS 26 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1639, r.o. 3.
5.Vergelijk ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3131, r.o. 5.2.
6.Zoals bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (