ECLI:NL:RBDHA:2026:4509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.12148
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijhedenVerdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag EU/EER verblijfsdocument wegens ontbreken familierechtelijke relatie en afhankelijkheid

Eiser, een meerderjarige Nigeriaanse derdelander, verzocht om een EU/EER verblijfsdocument om in Nederland te verblijven bij zijn moeder en halfbroertje. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser meerderjarig was en de familierechtelijke relatie met zijn moeder niet was aangetoond. Tevens ontbrak bewijs van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie zoals vereist onder het arrest K.A.

Eiser voerde aan dat de afwijzing onterecht was, onder meer omdat de afhankelijkheidsrelatie volgens het arrest E.K. langdurig kan zijn en de geboorteakte voldoende bewijs zou zijn. Ook stelde hij dat artikel 8 EVRM Pro een belangenafweging vereist, waarbij het belang van het kind voorop zou moeten staan.

De rechtbank oordeelde dat het arrest betreffende minderjarigen niet op eiser van toepassing is omdat hij meerderjarig was bij de aanvraag. De geboorteakte voldeed niet aan de vereisten vanwege het ontbreken van legalisatie en tardieve opmaak. Er was geen objectief bewijs van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie. Ook was geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, zodat geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument is ongegrond verklaard wegens ontbreken van familierechtelijke relatie en uitzonderlijke afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, [naam] en [tolk] .

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser wil in Nederland verblijven bij zijn moeder en halfbroertje. Daarom is namens eiser op 31 juli 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het [arrest] . [1]
2. Bij besluit van 25 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat eiser meerderjarig is en dat hij alleen al daarom niet valt onder de reikwijdte van het [arrest] . Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat eiser ook niet onder de reikwijdte van het arrest K.A. [2] valt, omdat de familierechtelijke relatie met zijn gestelde moeder niet is aangetoond en ook is niet gebleken dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hen dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Verder heeft verweerder overwogen dat van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [3] geen sprake is, nu eiser de familierechtelijke relatie met zijn gestelde moeder niet heeft aangetoond.
3. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eiser om de enkele reden dat hij meerderjarig is niet onder de reikwijdte van het [arrest] valt. Eiser verwijst hierbij naar het arrest E.K., [4] waaruit volgt dat een afhankelijkheidsverhouding in beginsel niet van korte duur is en zich over een aanzienlijke periode kan uitstrekken. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn moeder op het moment van de aanvraag reeds aanleiding gaf tot het ontstaan van een Unierechtelijk verblijfsrecht. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de overgelegde geboorteakte onvoldoende geacht om de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn moeder aan te tonen. Onder de gegeven omstandigheden is het disproportioneel om dit document terzijde te schuiven vanwege het ontbreken van legalisatie. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het arrest K.A. Daarbij wijst eiser op de verklaringen van zijn moeder tijdens de hoorzitting, waaruit blijkt dat eiser psychisch en emotioneel afhankelijk is van zijn moeder. Voorts heeft verweerder miskend dat artikel 8 van Pro het EVRM geen formeel bewijs van juridische afstamming vereist, maar een beoordeling van feitelijke affectieve banden betreft. Verweerder was gehouden een belangenafweging te maken, omdat de affectieve band tussen eiser en zijn moeder evident is. Tot slot heeft verweerder nagelaten om het belang van het kind als eerste overweging te betrekken in de besluitvorming.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beroep op de arresten [arrest] en E.K.
4. Het beroep van eiser op het [arrest] slaagt niet. Verweerder heeft terecht de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2024. [5] Niet in geschil is dat eiser tijdens de aanvraagprocedure, voorafgaand aan het primaire besluit, meerderjarig is geworden. Nu het [arrest] betrekking heeft op minderjarige kinderen, heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet onder de reikwijdte van het [arrest] valt.
5. Ook het beroep op het arrest E.K. slaagt niet. Dat uit dit arrest volgt dat een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [6] van langere duur kan zijn, betekent nog niet dat in eisers geval sprake is van een voorgezet verblijfsrecht. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij een rechtmatig voortgezet verblijfsrecht zou kunnen ontlenen aan een al ten tijde van zijn minderjarigheid ontstaan afgeleid verblijfsrecht.
Beroep op het arrest K.A.
6. Een derdelander kan een afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 van Pro het VWEU ontlenen als sprake is van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie met een Unieburger in die zin dat zij feitelijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Uit het arrest K.A. volgt dat dit bij twee meerderjarige familieleden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Het is aan eiser om die afhankelijkheid met objectieve en verifieerbare stukken aannemelijk te maken.
7. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen hem en zijn gestelde moeder. De door eiser overgelegde geboorteakte heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden die aan Nigeriaanse akten worden gesteld. De geboorteakte is namelijk tardief opgemaakt en niet gelegaliseerd. De stelling van eiser dat het onredelijk is dat verweerder de geboorteakte onvoldoende acht vanwege het ontbreken van legalisatie, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat verweerder tijdens de hoorzitting heeft opgemerkt dat dit document legalisatie behoeft. Ook heeft verweerder terecht erop gewezen dat op het aanvraagformulier is opgenomen dat officiële buitenlandse documenten gelegaliseerd moeten worden overgelegd en dat bovendien van een gemachtigde mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de eisen die aan buitenlandse documenten worden gesteld.
8. Daarnaast ontbreken objectieve en verifieerbare stukken die wijzen op de uitzonderlijke afhankelijkheid die artikel 20 van Pro het VWEU vereist. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn gestelde moeder zonder zijn aanwezigheid niet zelfstandig kan functioneren of dat scheiding ertoe leidt dat de Unieburger het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten. De enkele verklaringen van de gestelde moeder van eiser tijdens de hoorzitting zijn daartoe onvoldoende.
9. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van zowel de familieband als van de gestelde uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het arrest K.A en artikel 20 van Pro het VWEU.
Beroep op artikel 8 van Pro het EVRM
10. Verweerder heeft terecht overwogen dat tussen eiser en zijn gestelde moeder geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM kan worden vastgesteld, omdat de familierechtelijke relatie tussen hen niet is aangetoond. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [7] volgt dat verweerder geen belangenafweging hoeft te verrichten indien geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [8] Anders dan eiser stelt, heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook geen belangenafweging hoeven maken.
11. Eiser wordt verder ook niet gevolgd in zijn stelling dat ten onrechte het belang van het kind niet als eerste overweging is betrokken bij de besluitvorming. Daarbij is van belang dat eiser ten tijde van de besluitvorming reeds meerderjarig was.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 5 maart 2026 gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, (ECLI:EU:C:2017:354).
2.Arrest van het Hof van 8 mei 2018, (ECLI:EU:C:2017:821).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van 7 september 2022, (ECLI:EU:C:2022:639).
6.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.