Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
[eiser], eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eisers, een vrouw en haar minderjarige zoon met de Iraanse nationaliteit, vroegen op 23 februari 2025 een visum voor kort verblijf aan om een familielid in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Iran.
Eisers stelden in beroep dat zij wel voldoende sociale en economische binding met Iran hebben, onder meer omdat de echtgenoot en vader, tevens kostwinner, in Iran achterblijft. De rechtbank oordeelde echter dat de sociale binding onvoldoende is aangetoond, mede omdat de echtgenoot zich later bij hen kan voegen en er geen andere familie is waarvoor zorg wordt gedragen. Ook is de economische binding onvoldoende onderbouwd; de inschrijving van het bedrijf van de echtgenoot in het handelsregister is slechts administratief en er is geen bewijs van daadwerkelijke economische activiteit.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Tevens is geoordeeld dat het bestreden besluit geen motiveringsgebrek bevat en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran.