ECLI:NL:RBDHA:2026:4412
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging uiterste overdrachtstermijn Dublinoverdracht
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn in het kader van een Dublinoverdracht. De minister had deze termijn verlengd tot 18 maanden omdat verzoeker op het moment van de geplande overdracht met onbekende bestemming was vertrokken.
Verzoeker stelde ernstige psychische problemen te hebben, waaronder suïcidaliteit, en vreesde in bewaring te worden gesteld om de overdracht mogelijk te maken. De minister betwistte het spoedeisend belang en gaf aan dat verzoeker momenteel niet in bewaring is en er geen concreet voornemen is tot overdracht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed omdat de overdracht een onzekere toekomstige gebeurtenis is en er geen concreet voornemen tot overdracht of bewaring bestaat. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en een concreet voornemen tot overdracht of bewaring.