Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.63653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, tweede lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlengingsbesluit overdrachtstermijn Dublinverordening wegens prematuriteit en gebrek aan onderbouwing detentie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 december 2025 waarbij de minister van Asiel en Migratie de overdrachtstermijn van eiser aan België in het kader van de Dublinverordening met een jaar verlengde vanwege diens gevangenzetting.

De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig is omdat verweerder in het besluit verwijst naar een voornemen van 19 november 2025 en nog geen definitief besluit heeft genomen over de asielaanvraag van eiser. Daarnaast is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk is gedetineerd, terwijl dit de grondslag was voor de verlenging. De verlenging is daarom prematuur en onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het verlengingsbesluit en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt dat zolang geen definitief besluit is genomen over de asielaanvraag, niet kan worden aangenomen dat vertraging in overdracht te wijten is aan detentie.

Uitkomst: Het verlengingsbesluit van 22 december 2025 wordt vernietigd wegens prematuriteit en gebrek aan onderbouwing van detentie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. L. Angela).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 22 december 2025. Met dat besluit heeft verweerder de termijn voor overdracht van eiser aan België in het kader van de Dublinverordening tot een jaar verlengd. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Eiser was niet aanwezig. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 2 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 19 november 2025 laten weten dat zij voornemens zijn om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 22 december 2025 de overdrachtstermijn verlengd met een jaar, omdat eiser is gevangengezet.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is nu in het besluit van 22 december 2025 gerefereerd wordt naar een besluit van 19 november 2025, maar dit betreft het voornemen. In de zienswijze is verweerder gewezen op een uitspraak van de Afdeling [2] van 23 juli 2025 [3] waarin is geoordeeld dat ten aanzien van alleenstaande, niet-kwetsbare, mannelijk vreemdelingen zoals eiser niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder kan dan ook niet besluiten hem over te dragen aan België. Verder is de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd, omdat niet is gebleken dat er sprake is van een situatie zoals opgenomen in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft de overdrachtstermijn verlengd omdat eiser zou zijn gedetineerd, maar hierover is gemachtigde niets bekend en het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten. Verweerder heeft nagelaten dit te onderbouwen. Daarbij is het nog maar de vraag of verweerder op dit moment wel de overdrachtstermijn kon verlengen. De overdrachtstermijn loopt nog tot 14 mei 2026 en verweerder heeft dus nog te tijd om een overdracht te realiseren. Er is op moment geen sprake van het feit dat de overdracht niet binnen zes maanden zou kunnen plaatsvinden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?4. Door de gemachtigde van eiser wordt terecht gesteld dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiser is gevangengezet. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat zij voor de zitting nog contact heeft gehad met eiser en dat, voor zover bij gemachtigde bekend, eiser in [plaats] verblijft. Onder deze omstandigheden is het aan verweerder om te onderbouwen dat eiser is gevangengezet. Dit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Nog los van de vraag of eiser is gevangengezet overweegt de rechtbank dat verweerder tot op heden nog geen besluit heeft genomen over de asielaanvraag van eiser. De gemachtigde van eiser heeft terecht opgemerkt dat ten tijde van het besluit van 22 december 2025 er nog geen besluit was, maar alleen een voornemen. Nu door verweerder nog geen besluit is genomen over eisers asielaanvraag kan niet anders dan worden geconcludeerd dat nog niet is beslist dat eiser moet worden overgedragen aan België. De rechtbank is van oordeel dat zolang door verweerder nog geen besluit is genomen op de asielaanvraag van eiser niet gesteld kan worden dat de vertraging in de overdracht te wijten is aan eisers eventuele detentie. Dit maakt dat de verlenging van de overdrachtstermijn prematuur is. De rechtbank is van oordeel dat op beide gronden het besluit om de overdrachtstermijn te verlengen voor vernietiging in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepsgronden slagen. Dat betekent dat het beroep gegrond is. Het besluit van verweerder om de overdrachtstermijn te verlengen wordt vernietigd.
6. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor
1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het verlengingsbesluit van 22 december 2025;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.