ECLI:NL:RBDHA:2026:4391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.48453 en NL25.56273
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 66a VwArt. 6:20 AwbArt. 4 lid 5 Richtlijn 2011/95/EUArt. 15c Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag en oplegging terugkeerbesluit en inreisverbod

Eiser diende twee beroepen in: tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en tegen de afwijzing van die aanvraag. De rechtbank verklaarde het eerste beroep niet-ontvankelijk omdat inmiddels een besluit was genomen. De afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand, ondanks dat eiser vreesde voor vervolging door Al-Shabaab vanwege familieconflicten en bedreigingen.

De rechtbank oordeelde dat de minister het Griekse asieldossier terecht had betrokken en dat de status die eiser in Griekenland had verkregen meegewogen moest worden. De geloofwaardigheid van het tweede en derde asielmotief werd verworpen vanwege inconsistenties in het relaas, die niet als marginaal werden gezien. Het eerste motief (identiteit en herkomst) werd als geloofwaardig beoordeeld, maar bood geen grond voor bescherming.

De rechtbank stelde vast dat de minister een individuele beoordeling had gemaakt en dat er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu was. Wel werd geoordeeld dat het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod onrechtmatig was, omdat eiser internationale bescherming in Griekenland geniet en onduidelijk is of die status is ingetrokken. Daarom vernietigde de rechtbank dat deel van het besluit en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, de afwijzing van de asielaanvraag blijft staan, maar het terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.56273 en NL25.48453

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee door eiser ingediende beroepen. Het eerste beroep, van 6 oktober 2025, heeft eiser ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag. [1] Het tweede beroep, van 17 november 2025, is gericht tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag. [2] Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk is. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, maar er geen terugkeerbesluit en inreisverbod had mogen worden opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 januari 2020 in Griekenland om internationale bescherming verzocht. Deze bescherming is hem op 24 september 2020 verleend.
2.1.
Op 23 maart 2023 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2.2.
De minister heeft op 3 april 2025 het asieldossier opgevraagd bij de Griekse autoriteiten. Dit dossier is op 7 mei 2025 door de minister ontvangen en op 29 september 2025 is de vertaling van dit dossier ontvangen.
2.3.
Op 6 oktober 2025 heeft eiser een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 november 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.4.
Eiser heeft daarop aangegeven het beroep tegen het niet tijdig beslissen te willen voortzetten. Daarnaast heeft hij een nieuw inhoudelijk beroep ingediend tegen het besluit van 13 november 2025.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende deze beroepen [3] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag
3. De minister heeft reeds een besluit op de asielaanvraag van eiser genomen. Om die reden heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk.
3.1.
Voor het oordeel over de proceskostenvergoeding verwijst de rechtbank naar overweging 13.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vreest voor Al-Shabaab. Eiser werkte vroeger met zijn broer als visser. Door problemen met Al-Shabaab zijn zij met dit werk gestopt en in de winkel van hun oom gaan werken. Tijdens zijn werk in de winkel heeft een vriend, die Al-Shabaab lid bleek te zijn, aan eiser gevraagd een tas te bewaren. De politie van Mogadishu hield deze vriend in de gaten. Bij het ophalen van de tas zijn de vriend, samen met twee andere mannen, aangehouden door de politie. In de tas bleken wapens en bommen te zitten. De vriend van eiser en een van de andere mannen zijn doodgeschoten door de politie. De families van de mannen, ook Al-Shabaab leden, houden eiser nu verantwoordelijk voor hun dood en zijn naar hem op zoek. Ze hebben de broer van eiser al vermoord. Eiser vreest dat hij bij terugkeer ook zal worden vermoord.
De bestreden besluiten
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Bedreiging en moord op eisers broer door Al-Shabaab.
3. Problemen met Al-Shabaab vanwege het werk als visser.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is en de overige asielmotieven niet. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook wordt eiser tegengeworpen dat hij zijn relaas niet met documenten kan onderbouwen en daarvoor geen verklaring heeft en wordt eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig beschouwd. Het geloofwaardig geachte eerste motief maakt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat de verklaringen van eiser worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Omvang van het geding
6. De rechtbank stelt vast dat eisers gronden zien op een onzorgvuldige voorbereiding en op een onjuiste geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij zien de gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals ook ter zitting door eiser is bevestigd, enkel op de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief. Eiser heeft geen gronden gericht tegen de conclusie van de minister dat het derde asielmotief niet geloofwaardig is. De conclusie van de minister wordt op dat punt gevolgd en staat in rechte vast.
Zorgvuldige voorbereiding
7. Eiser stelt dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De minister verwijst volgens eiser ten onrechte naar verklaringen uit het Griekse dossier. Hij heeft zich er namelijk onvoldoende van vergewist dat het Griekse dossier eiser betreft. Er ontbreekt een biometrische koppeling om dit vast te stellen. Deze stelling volgt de rechtbank niet. Zoals uit het dossier volgt, en ook namens de minister ter zitting is toegelicht, is de minister op de hoogte geraakt van de status in Griekenland via een zogenoemde Eurodac-treffer. In Eurodac wordt gezocht door middel van vingerafdrukken. Aan de hand van de resultaten van de Eurodac bevraging is het Griekse dossier opgevraagd. Daarbij komen de in het Griekse dossier aanwezige persoonsgegevens, op een enkele afwijking in de spelling, overeen met de in Nederland verstrekte gegevens. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gebleken dat het dossier eiser betreft.
7.1.
Ook stelt eiser dat door stress en beperkte begeleiding tijdens de Griekse procedure de daar afgelegde verklaringen niet representatief zijn. De minister had enkel uit mogen gaan van de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor in Nederland. Ook dient de minister rekening te houden met de in Griekenland verleende status, dit is een sterke indicatie voor risico bij terugkeer.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling [4] heeft geoordeeld dat de minister, wanneer er sprake is van een status in een andere lidstaat en de aanvraag in Nederland inhoudelijk wordt behandeld, voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit, contact moet opnemen met de betreffende autoriteiten. Dit, om informatie uit te wisselen over het verzoek van betrokkene om internationale bescherming, zijn standpunt daarover en de door die lidstaat verleende vluchtelingenstatus. Met deze informatie moet de minister de asielaanvraag opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken. De rechtbank stelt vast dat er contact is opgenomen met de Griekse autoriteiten en dat er informatie is uitgewisseld. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister de in Griekenland afgelegde verklaringen terecht bij zijn oordeel heeft betrokken. Deze verklaringen, hebben in Griekenland tot toekenning van de status geleid. De minister moet dan ook ten volle rekening houden met de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie [5] en met de daar verleende status. Op die manier wordt de indicatie voor risico bij terugkeer, zoals dit in Griekenland is gewogen, ook in Nederland meegewogen. Het is de rechtbank niet gebleken dat onvoldoende rekening is gehouden met de in Griekenland gegeven verklaringen en de daar verleende status, uit hetgeen door eiser is aangevoerd volgt dit evenmin.
7.3.
Tot slot stelt eiser dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Dit omdat niet duidelijk is geworden waarom bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over het tweede en derde asielmotief, geen gewicht toekomt aan de vaststelling dat zijn verklaringen over zijn eerste asielmotief (herkomst en identiteit) geloofwaardig zijn. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat een deel van de verklaringen van eiser geloofwaardig zijn geacht en een deel niet, dit niet maakt dat het genomen besluit innerlijk tegenstrijdig is.
7.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank in hetgeen eiser aanvoert geen grond om het besluit te vernietigen omdat er sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling tweede asielmotief; bedreiging en moord op eisers broer door Al-Shabaab.
8. Eiser stelt dat de inconsistenties in zijn verklaringen slechts marginaal zijn en dat deze verklaarbaar zijn door de traumatische omstandigheden, tijdverloop, taalbarrières en het ontbreken van documenten. In de kern verklaart eiser consistent. Ook hanteert de minister onredelijke bewijsmaatstaven. Dat eiser bijvoorbeeld geen overlijdensakte van zijn broer kan overleggen is, gelet op de gebruiken in Somalië, hem niet aan te rekenen. Ook is het motief om een tas voor een vriend te bewaren, het niet weten van de namen van de familie van zijn vriend of kunnen noemen van exacte data verkeerd geïnterpreteerd. Gelet op de culturele en sociale context is dit verklaarbaar en kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen. Ook stelt eiser dat de minister artikel 4, vijfde lid, van Richtlijn 2011/95/EU te beperkt heeft toepast. Zijn verklaringen moeten geloofwaardig worden geacht.
8.1.
De stelling dat artikel 4, vijfde lid, van Richtlijn 2011/95/EU te beperkt is toegepast is ook in de zienswijze naar voren gebracht. De minister heeft hier in het bestreden besluit op gereageerd. De enkele herhaling van dit punt, zonder nader toe te lichten op welk punt de reactie van de minister in het bestreden besluit niet juist is, is onvoldoende om deze reactie te weerleggen.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat eiser op punten inconsistent heeft verklaard. Eiser stelt echter dat de inconsistenties verklaarbaar zijn door de sociale en culturele achtergrond van eiser. Ook gaat het volgens eiser enkel om kleine afwijkingen.
8.3.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
8.4.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor over het bewaren van de tas verklaard dat hij bij het aannemen dacht dat hij een doosje parfum moest bewaren voor een vriend. Dit bleek later, zo verklaart eiser, een zak met wapens en bommen te zijn. [6] Ook verklaarde eiser eerst dat het om een vage bekende ging, later bleek het om een vriend te gaan die eiser goed kende. Hij wist echter niet dat hij lid was van Al-Shabaab en ook kende hij geen namen van familieleden. Over de moord op zijn broer is door eiser wisselend verklaard over de datum waarop zijn broer zou zijn vermoord [7] , maar ook over hoe eiser erachter is gekomen dat de moord door Al-Shabaab zou zijn gepleegd. Zo stelt hij [8] dat mensen hebben gezien dat zijn broer is vermoord in de winkel en dat de moordenaar zei dat hij van Al-Shabaab was, ook aan de gezichtsbedekking van de moordenaar was te zien dat het om Al-Shabaab ging. Later verklaart eiser dat hij dit wist omdat Al-Shabaab vaak kleine briefjes achterlaat, en in dit geval ging het ook via een brief [9] . Over de volgorde van gebeurtenissen voorafgaand aan de door eiser genoemde moord op zijn broer, de bemiddeling, het in het ziekenhuis belanden en het onderduiken bij zijn schoonzus, is wisselend verklaard. [10] In Griekenland heeft eiser daarnaast verklaard dat hij verschillende broers heeft die allemaal nog in leven zijn.
8.5.
De inconsistenties betreffen naar het oordeel van de rechtbank wezenlijke onderdelen van het asielrelaas. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Er is niet enkel gewezen op concrete data die afwijken, maar ook op afwijkingen in de volgorde van gebeurtenissen en inhoudelijke tegenstrijdigheden. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser voldoende de ruimte heeft gekregen om op zijn manier eventuele onduidelijkheden toe te lichten. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij de volgorde van gebeurtenissen kan benoemen. Ook over het al dan niet in leven zijn van zijn broer mag verwacht worden dat eiser kan verklaren. De rechtbank volgt eiser niet dat het hier enkel om kleine, marginale afwijkingen gaat. De minister heeft de inconsistenties kunnen tegenwerpen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen grond om het bestreden besluit te vernietigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
9. Met betrekking tot het beroep op artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
Artikel 15 kent Pro drie soorten “ernstige schade” die kunnen rechtvaardigen dat subsidiaire bescherming wordt toegekend aan de persoon die een reëel risico op deze schade loopt indien hij wordt teruggezonden naar zijn land van herkomst:
a) de doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst [11] ; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
9.2.
Eiser voert aan dat de veiligheidssituatie in Mogadishu zodanig precair is dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser heeft de minister te
veel gewicht toegekend aan de beleidsmatige aanwijzing dat Mogadishu geen 15c-gebied is. Volgens eiser heeft de minister een niet-individuele beoordeling toegepast. Eiser wijst daarnaast op een kaartje van Somalië van juli 2025 waarin een overzicht is gegeven van gebieden waar Al-Shabaab de controle heeft. Daaruit valt af te leiden dat Mogadishu ‘mixed, unclear’ gebied is. Dat het veilig is om terug te keren naar Mogadishu is dus niet zeker.
9.3.
Dat de minister geen individuele beoordeling heeft gemaakt volgt de rechtbank niet. Eiser dient met zijn eigen, individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu. Dat het derde asielmotief niet geloofwaardig is staat vast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is ook het tweede asielmotief niet geloofwaardig. De minister heeft aan de hand van het geloofwaardig geachte eerste asielmotief een individuele beoordeling gemaakt. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij als individu een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.
9.4.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister voor Mogadishu heeft bepaald dat daar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, een 15c-situatie in de laagste gradatie. [12] Daarbij blijkt ook uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 dat Mogadishu in naam nog onder controle van de federale regering staat. Uit eerdere rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een reëel risico op ernstige schade zich in het algemeen niet voordoet bij vestiging in Mogadishu. [13] De enkele verwijzing naar het kaartje van Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is biedt onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Somalië wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond
10. Eiser stelt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij stelt dat de minister heeft volstaan met een verwijzing naar vermeende inconsistenties zonder te onderbouwen waarom deze zodanig ernstig, duidelijk en onmiskenbaar zijn dat zij de zware kwalificatie "kennelijk ongegrond" rechtvaardigen.
10.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft kennelijk inconsistent en tegenstrijdig verklaard. Gelet hierop heeft de minister de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen. De rechtbank ziet in hetgeen in beroep naar voren is gebracht geen grond hierover anders te oordelen. De beroepsgrond faalt.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
11. Eiser stelt dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen individuele belangenafweging heeft verricht zoals is vereist op grond van de Terugkeerrichtlijn.
11.1.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Eiser heeft internationale bescherming in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. [14] Ter zitting is namens de minister toegelicht dat niet duidelijk is of er in dit dossier contact is geweest met de Griekse autoriteiten over de eventuele intrekking van de status. Onduidelijk is daarom of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Om die reden kon de minister, naar het oordeel van de rechtbank, geen terugkeerbesluit opleggen.
11.2.
Het beroep is op dit punt gegrond. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Daarom kon de minister, op grond van artikel 66a, eerste lid, sub a van de Vreemdelingenwet, ook geen inreisverbod opleggen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod heeft opgelegd terwijl onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-)
€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser in deze samenhangende zaken een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dat eiser, nadat een besluit was genomen, een nieuw inhoudelijk beroepschrift heeft ingediend en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet inhoudelijk heeft voortgezet [15] maakt niet dat eiser tweemaal een vergoeding krijgt voor het indienen van een beroepschrift. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2025 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 13 november 2025 voor zover daarin is beslist over het terugkeerbesluit en het inreisverbod;
  • bepaalt dat het besluit voor het overige in stand blijft;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.48453.
2.Zaak NL25.56273.
3.Zaak NL25.56274.
4.Uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
5.Arrest van het Hof van 18 juni 2024 in zaak C-753/22, QY, ECLI:EU:C:2024:524 punt 78.
6.Pagina 20 nader gehoor.
7.Pagina 13 en 18 nader gehoor, maart 2020, in correcties en aanvullingen, september 2020.
8.Op pagina 14 en 15 van het nader gehoor.
9.Pagina 16 nader gehoor.
10.Pagina 12 en 24/25 nader gehoor.
11.Dit artikel komt overeen met artikel 3 van Pro het EVRM, zie Hof van Justitie 17 februari 2009, C-465/07, § 28.
12.Paragraaf C7/30.4.2. Vreemdelingencirculaire.
13.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805, onder 3.3.
14.Uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
15.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.