ECLI:NL:RBDHA:2026:4380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning Turkse werknemer wegens verbroken relatie en onvoldoende arbeidsduur
Eiser, een Turkse werknemer, kreeg een verblijfsvergunning als gezinslid bij een partner, die per november 2023 werd verbroken. De minister trok de vergunning met terugwerkende kracht tot 30 november 2023 in, omdat eiser niet langer aan de voorwaarden voldeed.
Eiser voerde aan dat hij op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 rechten had opgebouwd door een jaar legale arbeid, en dat intrekking met terugwerkende kracht niet toegestaan was. De rechtbank oordeelde dat eiser pas sinds 13 augustus 2023 in loondienst was en dus nog geen jaar legale arbeid had verricht op het moment van intrekking.
Subsidiair stelde eiser dat intrekking in strijd was met artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 en dat hij aanspraak kon maken op de artikel 10(2)-status. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat de relatie feitelijk was verbroken en dat het beleid omtrent intrekking met terugwerkende kracht al lang bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.