Eiseres uit Nigeria diende op 24 september 2024 een herhaalde asielaanvraag in, die door de minister op 29 september 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 en oordeelde dat de afwijzing terecht was.
Eiseres stelde dat zij vanwege haar bekering tot het christendom, bedreigingen door een vrouw en het risico op vrouwenbesnijdenis voor zichzelf en haar dochter bescherming nodig had. De minister achtte de bekering en de bedreigingen ongeloofwaardig en vond het risico op besnijdenis onvoldoende aannemelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel, mede op basis van een negatief onderzoek van Bureau Documenten en het ontbreken van ondersteunend bewijs zoals screenshots van bedreigingen.
De rechtbank overwoog dat de verklaringen van eiseres over haar geloofsovertuiging tegenstrijdig en summier waren en dat zij onvoldoende concreet had onderbouwd waarom haar culturele achtergrond en leeftijd een rol zouden spelen. Ook het risico op vrouwenbesnijdenis werd niet aannemelijk geacht, mede vanwege het ambtsbericht Nigeria en de persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar dochter.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de asielaanvraag in stand. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.