ECLI:NL:RBDHA:2026:4358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11909204 RL EXPL 25-18352
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voortzetting huur na overlijden huurder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding

In deze zaak vordert eiser voortzetting van de huurovereenkomst van een woning na het overlijden van zijn moeder, op grond van artikel 7:268 BW Pro, omdat hij stelt een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar te hebben gevoerd.

De kantonrechter beoordeelt of eiser voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden: hoofdverblijf in de woning, duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder, en voldoende financiële waarborg voor huurbetaling. Uit het dossier blijkt dat eiser sinds 2006 niet meer op het gehuurde adres staat ingeschreven en sinds 2008 een kamer huurt op een ander adres. Foto’s en bonnen die eiser overlegt, zijn onvoldoende om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. Ook is niet gebleken dat vaste lasten gedeeld werden. De financiële waarborg is onvoldoende onderbouwd, aangezien alleen een loonstrook is overgelegd zonder duidelijkheid over de duur van het contract.

Haag Wonen vordert in reconventie ontruiming van de woning, omdat de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van eiser geen reële kans van slagen heeft en dat sprake is van misbruik van recht. Daarom wordt de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Eiser wordt in zowel conventie als reconventie in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt mondeling uitgesproken door de kantonrechter.

Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen en de ontruiming van de woning wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/bc
Zaaknummer: 11909204 \ RL EXPL 25-18352
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 26 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S.A. Chedie,
tegen
WONINGSTICHTING HAAG WONEN,
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Haag Wonen,
gemachtigde: mr. T. de Nijs

1.De procedure

De zaak wordt behandeld door mr. O. van der Burg, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.E. Bijl als griffier.
Op de zitting is [eisende partij] verschenen, bijgestaan door mr. S.A. Chedie. Voor Haag Wonen is verschenen [naam] , bijgestaan door mr. T. de Nijs.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2.De beoordeling

2.1.
[eisende partij] vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht te verklaren dat hij per 27 maart 2025 huurder van de woning aan de [adres 1] te Den Haag is (hierna: het gehuurde), hij de huurovereenkomst zal voortzetten en te bepalen dat Haag Wonen de indeplaatsstelling van [eisende partij] moet eerbiedigen, met veroordeling van Haag Wonen in de proceskosten. Volgens [eisende partij] kan hij de huur van de woning na het overlijden van zijn moeder voortzetten omdat hij met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Haag Wonen betwist dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Volgens Haag Wonen is de duurzame gemeenschappelijke houding niet onderbouwd, waardoor sprake is van misbruik van recht. Hierom vordert Haag Wonen in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de door haar gevorderde ontruiming.
in conventie
2.2.
In artikel 7:268 lid 3 BW Pro staan de voorwaarden waaraan [eisende partij] moet voldoen om de huur te mogen voortzetten, te weten: (a) hij moet zijn hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, (b) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en (c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet hij in de procedure bij de kantonrechter een huisvestingsvergunning overleggen. Op [eisende partij] rust ten aanzien van deze voorwaarden een verzwaarde stelplicht. De kantonrechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan deze drie voorwaarden is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.
Hoofdverblijf
2.3.
Ten aanzien van het hoofdverblijf is gebleken dat [eisende partij] sinds 2006 niet meer ingeschreven staat op de [adres 1] en dat hij sinds 2008 ingeschreven staat op de [adres 2] . Ter zitting heeft [eisende partij] verklaard dat hij aan de [adres 2] een studio/kamer huurt. [eisende partij] verklaart dan wel dat hij die kamer aanhoudt in verband met de uitkering van zijn moeder, maar de inschrijving op de [adres 2] is een hard gegeven en een contra-indicatie voor het hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde. Uit de foto van een kledingkast, foto’s met zijn oma en zijn moeder en de stelling dat [eisende partij] regelmatig heeft gepind in de buurt van het gehuurde, kan de kantonrechter niet opmaken dat [eisende partij] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Dit maakt dat [eisende partij] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde.
Gemeenschappelijke huishouding
2.4.
Van een gemeenschappelijke huishouding is meestal sprake als woon- en/of leefkosten worden gedeeld, huishoudelijke taken samen worden gedaan en gezamenlijke aankopen plaatsvinden. Voor een gemeenschappelijke huishouding moet het dus gaan om een financiële verwevenheid. Dat [eisende partij] – na dagvaarding – zijn hoofdverblijf en de gemeenschappelijke huishouding heeft geprobeerd te onderbouwen met bonnen en foto’s is thans onvoldoende. Dat [eisende partij] wel eens boodschappen of andere producten heeft laten bezorgen bij het gehuurde, maakt nog niet dat van een gemeenschappelijke huishouding sprake is. Ook de aankoop van een koelkast door [eisende partij] is onvoldoende. Tevens is gebleken dat de huurbetalingen (nog steeds) van de rekening van de moeder van [eisende partij] worden afgeschreven. Niet gebleken is dat vaste lasten door [eisende partij] en zijn moeder werden verdeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eisende partij] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een financiële verwevenheid.
Duurzaamheid
2.5.
Een gemeenschappelijke huishouding is duurzaam als zij is bedoeld om blijvend voort te bestaan. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat slechts onder bijzondere omstandigheden het samenleven van een kind en een ouder, na het zelfstandig worden van het kind, kan worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Uit niets blijkt dat het de bedoeling was van [eisende partij] om altijd bij zijn moeder te blijven wonen. Dit maakt dat [eisende partij] ook op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.
Financiële waarborg
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] er ook niet in is geslaagd om voldoende te onderbouwen dat hij voldoende financiële waarborg biedt voor de betaling van de huur. Enkel is een loonstrook overgelegd waaruit volgt dat [eisende partij] een contract voor bepaalde tijd heeft. Ter zitting heeft [eisende partij] verklaard niet te weten tot wanneer dit contract loopt.
2.7.
De conclusie van het voorgaande dat nu [eisende partij] er niet in is geslaagd om te onderbouwen dat hij aan de voorwaarden uit artikel 7:268 lid 3 BW Pro voldoet, de vordering van [eisende partij] zal worden afgewezen.
in reconventie
Ontruiming
2.8.
Haag Wonen vordert in reconventie ontruiming van het gehuurde. Zij voert daartoe aan dat de huurovereenkomst met de moeder van [eisende partij] op grond van artikel 7:268 lid 6 BW Pro op 27 maart 2025 van rechtswege is geëindigd. Nu de vordering van [eisende partij] in conventie wordt afgewezen, betekent dit dat [eisende partij] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft, zodat de kantonrechter de vordering in reconventie tot ontruiming van het gehuurde toewijst.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.9.
Het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:268, lid 2 BW, houdt in dat de medebewoner de huur voortzet totdat onherroepelijk is beslist op zijn vordering tot voortzetting van de huur. Dit kan anders zijn wanneer er sprake is van misbruik van recht, voor verhuurder zwaarwegende omstandigheden en/of onevenredigheid in de wederzijdse belangen.
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek om de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren moet worden toegewezen. De kantonrechter is van oordeel dat is gebleken dat de vordering van [eisende partij] op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro geen reële kans van slagen heeft en dat hierom sprake is van misbruik van recht. In de dagvaarding is enkel gesteld dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Pas na de conclusie van antwoord zijn door [eisende partij] producties ingebracht waaruit zou moeten blijken dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Dan nog is summier onderbouwd dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, daar waar op [eisende partij] een verzwaarde stelplicht rust. Bovendien is sprake van een tweetal contra-indicaties voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding: hij staat sinds 2006 niet meer ingeschreven op het adres van de huurwoning van zijn moeder en hij heeft verklaard sinds 2008 een kamer te huren aan de [adres 2] . Dit maakt dat (de gemachtigde van) [eisende partij] op voorhand in had moeten zien dat zijn vordering geen reële kans van slagen heeft. De ontruiming zal dus uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.
Proceskosten in conventie en in reconventie
2.11.
[eisende partij] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld. [eisende partij] wordt hierom veroordeeld in de kosten van beide procedures. De proceskosten van Haag Wonen voor de procedure in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50
2.12.
De proceskosten van Haag Wonen in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
Totaal
217,00

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
wijst de vordering van [eisende partij] af;
3.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
3.3.
veroordeelt [eisende partij] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de woning gelegen aan het adres [adres 1] te Den Haag te ontruimen en te verlaten met al het zijne en al de personen die zijdens [eisende partij] in de woning verblijven en de woning ter vrije beschikking te stellen aan Haag Wonen;
3.4.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in conventie en in reconventie
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. O. van der Burg en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.