ECLI:NL:RBDHA:2026:4354

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/7556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring beroep tegen aankondiging terinzagelegging herziening Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Opposanten hebben beroep ingesteld tegen de aankondiging van de terinzagelegging van de Herziening 2025 van het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. De rechtbank heeft zonder zitting te houden geoordeeld dat zij onbevoegd is kennis te nemen van dit beroep, omdat de aankondiging geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, noch een voorbereidingsbesluit dat opposanten rechtstreeks in hun belangen treft.

Opposanten voerden aan dat de rechtbank hun beroep niet zonder zitting had mogen afdoen, omdat de rechtsvragen nieuw en complex zijn en de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom er geen sprake is van een besluit of voorbereidingshandeling. Ook stelden zij dat de rechtsgevolgen van de terinzagelegging en de vaststelling van de plan-MER-reikwijdte niet waren onderzocht, waardoor hun rechtsbescherming werd aangetast.

De rechtbank oordeelde dat de aankondiging slechts een mededeling over de procedure is en geen rechtshandeling met rechtsgevolg. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de publicatie hen los van de herziening rechtstreeks in hun belang treft. De rechtbank wees het verzet af en bevestigde dat de beperking van het recht te worden gehoord in dit geval niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, mede omdat opposanten andere wegen hebben om hun bezwaren te uiten.

De uitspraak van 2 december 2025 blijft daarmee in stand en het verzet wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de aankondiging van de terinzagelegging en verklaart het verzet ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7556 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 op het verzet van

[opposant 1]en
[opposant 2], uit [woonplaats] , opposanten [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2025 in het geding tussen
opposanten
en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

(gemachtigden: mr. R. Brouwer en mr. K. Giezeman).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposanten kennis te nemen en de voorzieningenrechter zich onbevoegd heeft verklaard om van het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: opposanten en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 2 december 2025 terecht is geoordeeld dat er in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bestuursrechter onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposanten
4. Opposanten hebben beroep ingesteld tegen de aankondiging van de terinzagelegging van Herziening 2025 van het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland, van 20 oktober 2025. In deze aankondiging is gewezen op de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen.
De uitspraak van 2 december 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat [2] . De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep van opposanten zich niet richt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb of tegen een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 van Pro de Awb die hen rechtstreeks in hun belangen treft.
Gronden verzet
6. Opposanten zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en voeren – samengevat weergegeven – het volgende aan. Volgens opposanten had de rechtbank hun beroep niet zonder zitting mogen afdoen omdat geen sprake is van
kennelijkeonbevoegdheid. De rechtsvragen zijn nieuw en complex, en vereisen een inhoudelijke beoordeling. Ook heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een besluit of appellabele voorbereidingshandeling. Verder heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van de terinzagelegging en de vaststelling van de plan-MER-reikwijdte niet onderzocht. Zij miskent daarmee de onmiddellijke en onomkeerbare gevolgen van de rechtspositie van opposanten. Door de uitspraak worden opposanten van rechtsbescherming afgesneden, terwijl een terughoudende toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb geboden is, gelet op artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).
Beoordeling van het verzet
7. De rechtbank is van oordeel dat in de buiten zitting-uitspraak voldoende is gemotiveerd waarom de aankondiging van de terinzagelegging niet is aan te merken als besluit of als appellabele voorbereidingshandeling en het daarom buiten redelijke twijfel staat dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank zal dit hieronder nader motiveren.
7.1.
Artikel 8:1 van Pro de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Dat wil zeggen dat het moet gaan om een handeling die verandering brengt in de rechten, plichten of aanspraken van opposanten. Zoals in de buiten zitting-uitspraak is overwogen, is de terinzagelegging van de herziening slechts een mededeling over de te volgen procedure en is er geen sprake van een handeling gericht op rechtsgevolg. Met hun betoog dat provinciale staten eerst een besluit had moeten nemen over het openstellen van het Groene Hart voor windenergie voordat kan worden overgegaan tot het wijzigen van het Omgevingsbeleid, hebben zij nog altijd niet verduidelijkt waarom de publicatie van 20 oktober 2025 op rechtsgevolg is gericht. Ook ter zitting hebben opposanten het gestelde rechtsgevolg niet duidelijk kunnen maken. Nu geen sprake is een rechtshandeling wordt niet voldaan aan de definitie van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
7.2.
Op grond van artikel 6:3 van Pro de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. De rechtbank ziet in wat opposanten hebben aangevoerd geen reden om anders te oordelen dan de bestuursrechter in de buiten zitting-uitspraak heeft gedaan. Anders dan opposanten betogen, ziet de rechtbank geen rechtsvragen die door het enkele feit van de publicatie worden opgeworpen die zo nieuw en complex zijn dat het beroep op een zitting had moeten worden behandeld. Ook met het betoog dat door de publicatie van de terinzagelegging van Herziening 2025 van het Omgevingsbeleid de MER-scope wordt vastgelegd en beleidsalternatieven voor het vervolgtraject worden uitgesloten maken opposanten niet duidelijk hoe deze publicatie hen, los van de voor te bereiden herziening van het Omgevingsbeleid, rechtstreeks in hun belang treft.
7.3.
De rechtbank heeft ongeveer zes weken na het indienen van het beroep zonder zitting te houden uitspraak gedaan. Anders dan opposanten betogen zegt het enkele tijdsverloop naar het oordeel van de rechtbank niets over het antwoord op de vraag of het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel staat.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen volgt de rechtbank opposanten evenmin in hun betoog dat de rechtbank – gelet op artikel 6 van Pro het EVRM – op zitting had moeten onderzoeken wat de gevolgen zijn dat de aankondiging.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] bevat artikel 6 van Pro het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar zijn deze normen niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb houdt een beperking in van het recht te worden gehoord. Artikel 8:55 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid van verzet tegen een uitspraak die met toepassing van artikel 8:54 is Pro gedaan, waarbij de indiener van het verzetschrift kan vragen in de gelegenheid te worden gesteld op een openbare zitting te worden gehoord. Van deze mogelijkheid hebben opposanten ook gebruik gemaakt. De beperking van het recht te worden gehoord, is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt aangetast. Bovendien staat het opposanten vrij om hun bezwaren tegen de inhoud en wijze van totstandkoming van de herziening van het Omgevingsbeleid door middel van het indienen van een zienswijze naar voren te brengen. Ook in die zin is er geen sprake van dat zij in hun rechtsbescherming worden beknot.
8.2.
Anders dan opposanten betogen is het ook niet zo dat zij door de onbevoegdverklaring van de bestuursrechter geen enkele toegang tot de rechter hebben. Zo kunnen zij, wanneer er een appellabel besluit (zoals een omgevingsvergunning) is genomen, het Omgevingsbeleid aan de orde stellen via de band van exceptieve toetsing. Voorts fungeert de burgerlijke rechter van de rechtbank als restrechter in gevallen waarin de bestuursrechter onbevoegd is te oordelen.

Conclusie en gevolgen

9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de buiten zitting-uitspraak van 2 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposanten wordt bedoeld: de indieners van het verzetschrift.
2.Dat vloeit voort uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:84)