ECLI:NL:RVS:2021:84
Raad van State
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over bevoegdheid en ongegrondverklaring hoger beroep inzake gedoogbeleid luchthaven Maastricht
De zaak betreft het verzet van opposanten tegen een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin de Afdeling zich deels onbevoegd verklaarde en het hoger beroep van opposanten ongegrond verklaarde. Het hoger beroep betrof het gedoogbeleid van de minister van Infrastructuur en Waterstaat inzake verboden vluchten van luchthaven Maastricht in de periode tussen december 2017 en januari 2019.
Opposanten stelden dat er geen rechtsgang openstond om hun fundamentele rechten te beschermen en dat de Afdeling onterecht zonder zitting uitspraak deed, wat in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro. Tevens voerden zij aan dat de redelijke termijn was overschreden en dat de minister onterecht niet tot schadevergoeding werd veroordeeld.
De Afdeling oordeelde dat opposanten wel degelijk beroep hadden kunnen instellen bij de bestuursrechter en dat het recht op een eerlijk proces niet in zijn essentie was aangetast door de procedure zonder zitting. Ook was de redelijke termijn niet overschreden en was er geen grond voor schadevergoeding. De Afdeling wees het verzet af en bevestigde haar eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het verzet tegen de eerdere uitspraak is ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft ongegrond.