ECLI:NL:RBDHA:2026:4265
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 7 november 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 5 december 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat eiser op 22 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken, zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats. De gemachtigde van eiser gaf aan sinds 18 februari 2026 geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. Volgens vaste rechtspraak betekent vertrek met onbekende bestemming zonder contact dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming.
De rechtbank overwoog dat, hoewel voorzichtigheid geboden is bij niet-ontvankelijkheid vanwege het fundamentele recht op toegang tot de rechter, in dit geval geen concrete aanwijzingen bestonden dat eiser nog bescherming wenst. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en geen contact.