ECLI:NL:RBDHA:2026:4197
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na niet-ontvankelijkheid beroep
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 12 november 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegelijkertijd is aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 17 februari 2026 behandeld, waarbij verzoeker niet is verschenen en zijn gemachtigde zich heeft afgemeld. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het samenhangende beroep niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep niet-ontvankelijk is verklaard.