ECLI:NL:RBDHA:2026:4195

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56835
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag Libië niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming

De rechtbank Den Haag beoordeelt het beroep van een Libische asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister had de aanvraag afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid van identiteit en nationaliteit, en had de eiser als meerderjarig aangemerkt met een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar.

Tijdens de zitting op 17 februari 2026 was de eiser niet aanwezig en had zijn gemachtigde zich afgemeld. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank stelde vast dat de eiser op 5 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken, zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde.

Op grond van vaste rechtspraak leidt een vertrek met onbekende bestemming zonder contact tot de conclusie dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat de eiser nog bescherming wenst, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en geen contact met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56835

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum 1],
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt te zijn geboren op [datum 2]. Uit informatie van Zwitserland en Oostenrijk is gebleken dat eiser daar ook bekend staat met andere namen, geboortedata en nationaliteiten. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is eiser als meerderjarig aangemerkt en is aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde heeft zich afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
3. De minister heeft de rechtbank op 5 december 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming (MOB) vertrokken is gemeld. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). De gemachtigde van eiser heeft in reactie aan de rechtbank bericht dat hij sindsdien geen contact heeft met eiser en dat hij ook niet op de hoogte is van zijn verblijfsplaats.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming. Dit is anders als de vreemdeling na een MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Dit is weer anders als er andere concrete aanknopingspunten bestaan dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling in het buitenland verblijft. In het licht van het fundamentele recht op toegang tot de rechter en een doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, moet voorzichtig worden omgegaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. [2]
3.2.
Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland of op een inhoudelijk beoordeling van zijn beroep. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.56836.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).