ECLI:NL:RBDHA:2026:4194

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbVreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep inreisverbod

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Dit beroep werd ingetrokken nadat het inreisverbod werd opgeheven. Verzoeker vroeg vervolgens om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de minister aan het beroep tegemoet is gekomen door het inreisverbod op te heffen, maar dat dit geen aanleiding geeft tot een proceskostenveroordeling. Dit omdat de procedures voor vreemdelingenbewaring en inreisverbod gelijktijdig met één beroepschrift waren gestart en er geen verdere proceshandelingen waren verricht.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, mede omdat de minister al een vergoeding had aangeboden in de procedure tegen de maatregel van bewaring. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier R. de Boer en is openbaar gemaakt op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen ondanks intrekking van het beroep na opheffing van het inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,
van Oezbeekse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep gericht tegen het besluit van de minister van 1 februari 2026 tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken, omdat het inreisverbod is opgeheven.
1.1.
De rechtbank heeft het verzoek om een proceskostenveroordeling op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij besluit van 1 februari 2026 heeft de minister aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd. Hiertegen heeft verzoeker op 17 februari 2026 beroep ingediend. [2] In het beroepschrift heeft verzoeker aangegeven dat het beroep zich ook richt tegen het aan hem opgelegde inreisverbod. Gelet hierop heeft de rechtbank onderhavige zaaknummer aangemaakt.
3. Op 22 februari 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven. Daarbij is aan verzoeker een schadevergoeding aangeboden en ook een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het beroep. Verzoeker heeft in reactie hierop het beroep met zaaknummer NL26.8728 ingetrokken.
4. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb [3] en nader uitgewerkt in het Bpb [4] . Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [5] is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. [6] Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat geen inreisverbod opgelegd kon worden, omdat verzoeker in het gehoor voorafgaand aan het inreisverbod had aangegeven (voor het eerst) asiel te willen aanvragen. Met de opheffing van het op 1 februari 2026 opgelegde inreisverbod is de minister hiermee naar het oordeel van de rechtbank aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en oordeelt daartoe als volgt.
4.2.
Op grond van artikel 3 bij Pro het Bpb worden samenhangende zaken voor de vaststelling van de hoogte van de proceskosten beschouwd als één zaak. Samenhangende zaken zijn in de definitie van het Bpb door één of meerdere belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank oordeelt dat hiervan in de zaken van verzoeker sprake is, omdat de procedures (vreemdelingenbewaring en inreisverbod) gelijktijdig zijn opgestart met één (pro forma) beroepschrift. Verder zijn er geen proceshandelingen verricht. Nu de minister in de procedure gericht tegen de maatregel van bewaring reeds een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van één punt heeft aangeboden voor het indienen van het beroepschrift, ziet de rechtbank geen aanleiding om een afzonderlijk punt toe te kennen voor onderhavige beroep.

Conclusie

5. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL26.8728.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Besluit proceskosten bestuursrecht.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1604.