Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4193

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/09/684586 / HA ZA 25-378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen in erfgrensgeschil wegens verkrijgende verjaring

In deze zaak staat een erfgrensgeschil centraal waarbij gedaagde zich beroept op verkrijgende verjaring van een strook grond tussen partijen. Gedaagde stelde dat hij deze strook door het langer dan tien jaar in bezit hebben van een laurierhaag, die in 2007 is geplant, te goeder trouw heeft verkregen.

De rechtbank heeft het bewijs van gedaagde beoordeeld, waaronder schriftelijke verklaringen van familieleden en buren, alsmede fotomateriaal. Uit deze stukken blijkt dat de laurierhaag vanaf eind 2007 een dichte haag vormde en deze toestand zich onafgebroken heeft voortgezet gedurende meer dan tien jaar, ondanks enkele dunne plekken die later zijn hersteld.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde het bewijs heeft geleverd dat hij te goeder trouw en onafgebroken in bezit was van de betwiste strook grond, waardoor hij door verkrijgende verjaring rechthebbende is geworden. De vorderingen van eisers tot verklaring voor recht, ontruiming en schadevergoeding werden daarom afgewezen. Tevens werden de proceskosten aan eisers opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af omdat gedaagde door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste strook grond.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/684586 / HA ZA 25-378
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats],2. [eisers sub 2] te [woonplaats],

eisende partijen,
advocaat: mr. T. Slinger,
tegen

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats],2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats],

gedaagde partijen,
advocaat: mr. M.B. van Munster.
Eisende partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als ‘[eisers]’. Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als ‘[gedaagden]’.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak gaat over een erfgrensgeschil tussen partijen. [gedaagden] heeft zich ten aanzien van de eigendom van een strook grond die tussen partijen in geschil is, beroepen op (onder meer) verkrijgende verjaring en stelt dat hij de strook door plaatsing van een laurierhaag langer dan tien jaar in bezit heeft gehad.
1.2
Op 29 oktober 2025 is een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis), waarin [gedaagden] is toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen dat (i) de laurierhaag in 2007 is geplant; (ii) de laurierhaag op enig moment na aanplant daarvan een dichte haag vormde en (iii) de onder (ii) bedoelde toestand zich tien jaar onafgebroken heeft voortgezet.
1.3
[gedaagden] heeft een akte genomen waarin hij zich over deze kwesties heeft uitgelaten, waarbij tevens producties 11 t/m 19 zijn overgelegd. Deze producties bevatten een aantal schriftelijke verklaringen en foto’s waarop de laurierhaag te zien zou zijn. [eisers] heeft een antwoordakte genomen, waarbij als productie 12 een tweetal foto’s van de laurierhaag is overgelegd.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De vraag is of [gedaagden] is geslaagd in de bewijsopdracht. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en overweegt daartoe als volgt.
2.2.
In deze procedure ligt de vraag voor of sprake is van ondubbelzinnig bezit door [gedaagden] van de betwiste strook grond. Als uit de plaatsing van de laurierhaag een bezitspretentie uitgaat van de achter die haag gelegen grond, [gedaagden] te goeder trouw was en het bezit van die grond langer dan tien jaar heeft geduurd, is [gedaagden] door verkrijgende verjaring rechthebbende op die grond geworden. De waardering van het geleverde bewijs moet worden bezien tegen de achtergrond van de vraag of sprake is van een laurierhaag waaruit een bezitspretentie ten aanzien van de achter de haag gelegen grond kan uitgaan.
2.3.
[eisers] heeft in zijn akte aangevoerd dat [gedaagden] niet duidelijk heeft gemaakt van welke strook grond hij meent bezitter te zijn. De rechtbank is dat niet met hem eens. Uit de stellingen van [gedaagden] blijkt dat de betwiste strook zich bevindt tussen de kadastrale erfgrens die de percelen van partijen scheidt en het lage hekje en de laurierhaag (hierna aan te duiden als: de Strook). Ook de rechtbank heeft dit tot uitgangspunt genomen in het tussenvonnis, met de kanttekening dat uit het plaatsen van het lage hekje geen bezitsdaad ten aanzien van de achter dat hekje gelegen grond kan worden afgeleid.
De laurierhaag is in 2007 geplant
2.4.
[gedaagden] heeft onder meer een schriftelijke verklaring van zijn broer [naam 1] in het geding gebracht. Deze verklaring is concreet en gedetailleerd en luidt als volgt:
“De laurierhaag is in 2007 door mijn broer in één keer geplant langs de erfgrenzen met de achterburen.
Ik heb gezien dat de planten toen al behoorlijk ontwikkeld waren: ca 1,60 – 1,80 m hoog, geplaatst @ twee per strekkende meter en met onderling kruisende takken. Dit gaf vrij snel een dicht en ondoordringbaar resultaat.
De haag is daarna regelmatig gesnoeid door mijzelf ten behoeve van vormbehoud en verdere verdichting en heeft nu een hoogte bereikt van ca 2,40 m.
De planten langs het hek tussen de tuin van mijn broer en die van de achterburen van BL2 [
het perceel van [eisers], toevoeging rechtbank] hebben het lange tijd prima gedaan en de haag is ook goed dicht gebleven. Een aantal planten begon evenwel langzaam aan last te krijgen van gebrek aan voldoende water en licht hetgeen de groei begon te belemmeren en tot wat bladverlies te leiden. Een bijkomend probleem was dat de nieuwe buren de haag aan hun kant volledige terug bleven snoeien tot het hek zodat bladvorming aan de BL2 zijde van de haag onmogelijk gemaakt werd.
Gedurende lange tijd kon dit gecompenseerd worden door vervanging cq toevoeging van planten maar tijdens de laatste paar jaar zijn ondanks inspanningen twee kale plekken ontstaan.
Door bovengenoemde omstandigheden is er de laatste jaren een verschil in ontwikkeling opgetreden tussen deze erfgrens en de tegelijkertijd tbv dezelfde doelstelling – nl een zich zo snel mogelijk voor iedereen duidelijk dichte en ondoordringbare vormende erfgrens – identiek aangeplante overige erfgrenzen.”
2.5.
[naam 1] heeft in zijn verklaring geschreven dat de laurierhaag in 2007 door zijn broer in één keer is geplant langs de erfgrenzen met de achterburen. [naam 1] verduidelijkt verderop in zijn verklaring dat hij met de ‘erfgrenzen met de achterburen’ (ook) doelt op de grenzen met ‘de achterburen van BL2’ (het perceel van [eisers]).
2.6.
De verklaring van buurvrouw mevrouw [naam 2] biedt ondersteuning aan de verklaring van [naam 1]. Zij heeft verklaard dat er in 2008 een laurierhaag tussen haar perceel en dat van [gedaagden] stond en heeft dat onderbouwd met een foto van 11 oktober 2007, waarop een laurierhaag is te zien. [eisers] heeft terecht aangevoerd dat de haag die zichtbaar is op de foto van [naam 2] een haag is die niet op de erfgrens tussen de percelen van partijen staat maar op de erfgrens tussen het perceel van [gedaagden] en dat van [naam 2]. Uit de verklaring van [naam 1] (eerst zin) blijkt echter dat de laurierhaag langs de erfgrenzen met de verschillende buurpercelen in één keer is aangeplant. Dat blijkt ook uit de laatste regel van zijn verklaring, waarin hij spreekt over “tegelijkertijd tbv dezelfde doelstelling (…) identiek aangeplante overige erfgrenzen”. Het dossier bevat verder geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de laurierhaag die het perceel van [gedaagden] en de drie buurpercelen scheidt, op verschillende tijdstippen zou zijn geplant.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] het bewijs heeft geleverd dat de laurierhaag in 2007 is geplant.
De laurierhaag vormde vanaf eind 2007 een dichte haag en die toestand heeft zich gedurende meer dan tien jaar voortgezet
2.8.
De rechtbank leidt uit de verklaring van [naam 1] af dat de haag na aanplant als gevolg van het aantal planten en de hoogte daarvan, snel een dichte haag vormde. Dit strookt met de foto van 11 oktober 2007 die door [naam 2] bij haar verklaring is gevoegd. Daarop is de bovenzijde van een dichte haag te zien.
2.9.
[gedaagden] heeft aldus bewezen dat de laurierhaag vanaf 11 oktober 2007 een dichte haag vormde.
2.10.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze toestand zich gedurende meer dan tien jaren onafgebroken heeft voortgezet.
2.11.
[naam 1] heeft verklaard dat de laurierhaag het lange tijd prima heeft gedaan en ook goed dicht is gebleven. De rechtbank leidt uit die verklaring af dat de haag met vervanging en/of toevoeging van planten dicht is gebleven, totdat dat “de laatste paar jaar” niet meer mogelijk was en twee kale plekken zijn ontstaan (die – zo leidt de rechtbank af uit de akte van [eisers] – zijn dichtgezet met een bamboeschutting).
2.12.
Mevrouw [naam 3] heeft in een schriftelijke verklaring geschreven dat zij tijdens bezoeken aan de tuin van [gedaagden] tot 2014 heeft gezien dat de gehele tuin omgeven is door een hoge laurierhaag, groen en dicht begroeid. Deze verklaring sluit aan bij de als productie 16 overgelegde foto uit 2010, waarop een dichte haag zichtbaar is.
2.13.
[eisers] heeft als productie 12 twee foto’s overgelegd van 16 december 2017 waarop volgens hem te zien is dat de laurierhaag niet dicht was. Op deze foto’s is inderdaad te zien dat de muur van de woning van [gedaagden] door de haag is te zien doordat de haag op sommige plaatsen weinig blad heeft, waardoor doorkijk mogelijk is. De rechtbank brengt in herinnering wat hiervoor in r.o. 2.2 is opgemerkt: het gaat erom of uit de laurierhaag een bezitspretentie is af te leiden. Vanuit dat perspectief moet de haag – ook in de toestand waarin die op productie 12 in december 2017 is te zien – worden aangemerkt als een dichte haag. De planten staan immers dicht op elkaar, de takken kruisen elkaar en de haag lijkt een hoogte van ongeveer twee meter te hebben. Daarbij geldt dat indien een aanvankelijk dichte haag na verloop van tijd open of dunne(re) plekken gaat vertonen, daarmee nog niet zonder meer gezegd is dat de bezitspretentie die van het plaatsen van de haag uitgaat ten einde komt. Dat geldt te minder indien die open of dunne plekken worden hersteld door nieuwe aanplant. Hierbij geldt dat inbezitneming van een goed waarvan een ander reeds bezitter is, slechts kan bestaan in een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan (Hoge Raad 18 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2743, r.o. 3.4.2). Aan deze voorwaarde is voldaan, ongeacht of de haag enkele dunne plekken bevat
2.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagden] bewezen dat de laurierhaag vanaf 11 oktober 2007 gedurende meer dan tien jaar onafgebroken een dichte haag heeft gevormd.
Conclusie t.a.v. de vorderingen
2.15.
Gezien het vorenstaande is [gedaagden] geslaagd in het hem bij tussenvonnis opgedragen bewijs. Daarmee staat vast dat [gedaagden] vanaf 11 oktober 2007 gedurende meer dan tien jaren te goeder trouw onafgebroken bezitter is geweest van de Strook. Daardoor is hij als gevolg van verkrijgende verjaring rechthebbende geworden op de Strook. Dat brengt met zich dat [eisers] niet langer eigenaar is van de Strook. Op die grond zal de door hem gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot ontruiming van de Strook op straffe van een dwangsom worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde schadevergoeding in de vorm van teruglevering van de Strook. In deze procedure is immers niet vast komen te staan dat [gedaagden] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld doordat hij wist dat hij een stuk grond van de rechtsvoorganger van [eisers] in bezit nam. In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagden] ten tijde van de inbezitneming te goeder trouw was.
Proceskosten
2.16.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.195,50
2.17.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
3.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.195,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.