ECLI:NL:RBDHA:2026:419

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61914
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 februari 2024. Eerder had de rechtbank Roermond de minister al een beslistermijn van acht weken opgelegd en een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding.

De minister heeft echter niet binnen deze termijn een besluit genomen, waarop eiser een tweede beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gelet op het tijdsverloop en de overschrijding van de maximale beslistermijn van 21 maanden, wordt een kortere termijn van vier weken passend geacht.

De rechtbank legt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd, die aanvangt nadat de eerdere dwangsom op 11 mei 2026 is volgelopen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad € 467.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in asielprocedures, waarbij de rechterlijke dwangsom een prikkel vormt om de beslistermijn na te komen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van vier weken op en een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 3 februari 2024.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. [2] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [3]
3. In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van acht weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [5]
6. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [6] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Gelet op het tijdsverloop sinds de vorige procedure bepaalt de rechtbank dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
7. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [7]
8. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt opnieuw een maximum van € 15.000,-. [8] De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.
9. Omdat de bij uitspraak van 14 oktober 2025 opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet volledig is volgelopen, oordeelt de rechtbank dat de bij onderhavige uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom volledig is volgelopen. De bij uitspraak van 14 oktober 2025 opgelegde rechterlijke dwangsom is aangevangen op 10 december 2025 en loopt vol op 11 mei 2026. Dit betekent dat de bij deze uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt op
12 mei 2026.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser met ingang van 12 mei 2026 een dwangsom van
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
4.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
6.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
8.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.