Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6952
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 5.1b lid 1 VbArt. 5.1b lid 2 VbArt. 5.1b lid 3 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking en belemmering uitzetting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 februari 2026 waarbij hem een maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tevens verzocht eiser om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de zaak schriftelijk behandeld.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld door geen uitzettingshandelingen te verrichten tijdens zijn strafrechtelijke detentie van twee dagen voorafgaand aan de bewaring en dat een lichtere maatregel volstaan had, omdat hij slechts in Nederland was om spullen op te halen en zelfstandig zou vertrekken. De rechtbank oordeelde dat eiser de zware en lichte gronden voor bewaring niet had bestreden en dat het risico op onttrekking en belemmering van de uitzettingsprocedure aanwezig was.

Verweerder had mogen afzien van een lichtere maatregel omdat eiser eerder het bevel had gekregen Nederland te verlaten en hieraan geen gehoor had gegeven. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, mede gelet op het vertrekgesprek op 10 februari 2026. De maatregel was niet onrechtmatig en het beroep werd ongegrond verklaard, evenals het verzoek om schadevergoeding. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6952

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 12 februari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 17 februari 2026 op gereageerd. Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt. Verweerder heeft ten onrechte geen uitzettingshandelingen uitgevoerd tijdens eisers strafrechtelijke detentie van twee dagen voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel. Verder had verweerder kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser was slechts in Nederland om zijn spullen op te halen en zou zelfstandig weer vertrekken.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en de lichte gronden niet heeft bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering naar het oordeel van de rechtbank voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. Daarbij heeft verweerder mogen afzien van het opleggen van een lichter middel. Eiser had immers op 26 maart 2025 het bevel gekregen om zich onmiddellijk naar Polen te begeven. Hier heeft eiser geen gehoor aan gegeven. Op 21 november 2025 is eiser uitgezet naar Polen en hij is teruggekomen terwijl hij wist, of had behoren te weten, dat hij geen verblijfsrecht had. Gelet hierop heeft verweerder terecht overwogen dat een minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij zelfstandig weer zal vertrekken is daarvoor onvoldoende.
5. De Afdeling [1] heeft in het algemeen zowel bij geplande bewaring als bij bewaring na een geplande overdracht een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend geacht. [2] Eiser heeft op 6 en 7 februari in strafdetentie verbleven. De vrijheidsontnemende maatregel is op 8 februari 2026 opgelegd en verweerder heeft op 10 februari 2026 met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld, temeer omdat in eisers geval geen sprake was van een geplande bewaring.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.