ECLI:NL:RBDHA:2026:4145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/3753
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet opnieuw beslissen op aanvraag omgevingsvergunning na overschrijding beslistermijn

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag omgevingsvergunning van 22 september 2020. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder geoordeeld dat het college opnieuw moest beslissen op deze aanvraag.

Ondanks ingebrekestelling op 6 maart 2025 heeft het college niet binnen de gestelde termijn van twee weken een besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.

De rechtbank wijst het verzoek van eiseres af om zelf in de zaak te voorzien of handhavend op te treden, omdat de procedure beperkt is tot de vraag of het college tijdig heeft beslist. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog een besluit nemen op de aanvraag omgevingsvergunning, onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp

(gemachtigde: mr. A. van Leeuwen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 september 2024. [1] In die uitspraak staat dat het college opnieuw moet beslissen op de aanvraag van [naam 1] en [naam 2] ([naam 1 + 2]). Eiseres stelt nu beroep in omdat het college dat volgens haar niet heeft gedaan.
1.1.
Op 22 september 2020 heeft [naam 1 + 2] een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een paardenstal.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2020 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend.
1.3.
Bij besluit op bezwaar van 15 april 2021 heeft het college – voor zover hier van belang – de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
1.4.
De rechtbank heeft op 2 november 2021 uitspraak gedaan op het beroep van eiseres tegen het besluit op bezwaar van 15 april 2021 [2] . Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
1.5.
Bij uitspraak van 4 september 2024 heeft de Afdeling – voor zover hier van belang – het hoger beroep van eiseres gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. De Afdeling heeft het besluit op bezwaar van 15 april 2021 vernietigd voor zover daarmee de omgevingsvergunning van 23 november 2020 in stand is gelaten. Voorts heeft de Afdeling het bezwaar van eiseres tegen de omgevingsvergunning van 23 november 2020 gegrond verklaard en dit besluit herroepen.
1.6.
Bij brief van 6 maart 2025 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van 22 september 2020.
1.7.
Op 27 mei 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. Beide partijen hebben vervolgens nog nadere stukken ingediend.
1.8.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 volgt dat het college opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 22 september 2020. Vaststaat dat het college uiterlijk op 5 maart 2025 had moeten beslissen op die aanvraag. Eiseres heeft het college op 6 maart 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er twee weken voorbij gegaan zonder dat het college een besluit heeft genomen. Dit betekent dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit gegrond is.
4. De omstandigheid dat het college op 9 oktober 2025 een omgevingsvergunning heeft verleend op een nieuwe aanvraag van [naam 1 + 2], leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt immers dat de aanvraag van 22 september 2020 in ieder geval op 14 november 2025 nog niet was ingetrokken. Zolang deze aanvraag nog voorligt dient het college hierop een besluit te nemen. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat eiseres geen procesbelang meer heeft omdat inmiddels op basis van een nieuwe aanvraag een omgevingsvergunning is verleend. Deze procedure is beperkt tot de vraag of het college tijdig een besluit heeft genomen en heeft geen betrekking op de inhoud van het te nemen besluit. Welk belang eiseres heeft bij het te nemen besluit op de aanvraag van 22 september 2020 kan in deze zaak dan ook niet aan de orde komen. Nu eiseres met deze procedure beoogt dat het college alsnog een besluit neemt op de aanvraag van 22 september 2020 en zij dat resultaat met deze procedure ook kan bereiken, heeft zij een voldoende procesbelang.
5. Voor zover eiseres heeft verzocht om zelf in de zaak te voorzien en het college op te dragen om handhavend op te treden, wijst de rechtbank dit verzoek af. Zoals hierboven is overwogen is deze procedure beperkt tot de vraag of het college te laat is met het nemen van een besluit op de vergunningaanvraag van 22 september 2020. De vraag of bij de huidige stand van zaken sprake is van een overtreding op het betrokken perceel en of daartegen handhavend moet worden opgetreden, kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
6. Omdat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
7. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Voor het opleggen van een hogere dwangsom – zoals door eiseres gewenst – ziet de rechtbank geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, en het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak op straffe van een dwangsom alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag van 22 september 2020.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- (1 punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5) omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag van 22 september 2020;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.202108159/1/R3, ECLI:NL:RVS:2024:3576.
2.SGR 21/3709 WABOA, ECLI:NL:RBDHA:2021:12272.
3.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.