ECLI:NL:RBDHA:2026:4137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/14112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende binding met Marokko

Eiser, een Marokkaanse student, vroeg op 11 december 2023 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, vanwege onvoldoende sociale en economische binding.

Eiser maakte bezwaar, maar de minister verklaarde dit ongegrond zonder hem te horen of gelegenheid te geven het bezwaarschrift aan te vullen. De rechtbank oordeelt dat dit een zorgvuldigheidsgebrek is, waardoor het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd moet worden.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de minister op goede gronden de aanvraag heeft afgewezen. De rechtbank weegt mee dat eiser onvoldoende binding met Marokko heeft aangetoond, ondanks nieuwe stukken over studie en werk als studentencoach.

De rechtbank wijst erop dat eerdere uitspraken ook tot hetzelfde oordeel kwamen en dat de nieuwe omstandigheden onvoldoende zijn om het oordeel te wijzigen. De minister moet het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden, maar een vergoeding voor de bezwaarprocedure wordt niet toegekend.

De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 9 februari 2026 en is definitief.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege onvoldoende binding met Marokko.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/14112

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Bouddount),
en

de minister van Buitenlandse zaken, de minister

(gemachtigde: mr. J. Visscher).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het verlenen van een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 december 2023 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 januari 2024 afgewezen. Eiser heeft op 30 januari 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 11 december 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd met als doel familiebezoek bij zijn oom [referent] en diens vrouw [referente] (referenten).
4. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de visumaanvraag gehandhaafd, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van (voldoende) sociale en economische binding met Marokko. De minister heeft in de beoordeling ook betrokken dat de voorzieningenrechter reeds uitspraak heeft gedaan over een eerdere visumaanvraag van eiser. [1] Daarbij kwam ook de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de sociale en economische binding onvoldoende zijn gebleken. De minister stelt dat er geen andere aanvullende of nieuwe gronden of stukken zijn ingediend die een ander licht kunnen werpen op dat voorlopige oordeel. Omdat op grond van hetgeen door eiser in de bezwaarprocedure is aangevoerd meteen duidelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andere uitkomst heeft de minister afgezien van het horen van eiser in bezwaar.
Zorgvuldigheid
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem in bezwaar ten onrechte niet de gevraagde dossierstukken heeft toegezonden en hem ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden om zijn pro-forma bezwaarschrift aan te vullen.
5.1.
De minister erkent in het verweerschrift van 15 december 2025 dat hij eiser ten onrechte geen herstel verzuim mogelijkheid heeft geboden en dat eiser te laat in het bezit is gesteld van de juiste stukken die aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegen. Volgens de minister is enkel hierom reeds sprake van een gegrond beroep. De minister verzoekt de rechtbank wel om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat eiser, gelet op het ontbreken van voldoende sociale en economische binding, alsnog niet in aanmerking komt voor een visum kort verblijf.
5.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat het bestreden besluit vanwege zorgvuldigheidsgebreken voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep om die reden gegrond is. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Sociale en economische binding
6. Volgens eiser heeft de minister zijn sociale en economische binding met Marokko ten onrechte onvoldoende gevonden. Eiser heeft in dat kader in beroep nieuwe stukken overgelegd ter onderbouwing van de reeds aangevoerde omstandigheden. Hij heeft onder andere een bewijs van inschrijving voor de studie Franse literaire wetenschappen voor het studiejaar 2024-2025 en een diploma voor de studie Geschiedenis overgelegd om te onderbouwen dat hij in Marokko student is. Daarnaast heeft hij stukken en verklaringen van studenten overgelegd waarmee hij wil aantonen dat hij zich als studentcoach aanbiedt en studenten begeleidt. Ook heeft eiser een bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat hij cursussen volgt op het gebied van gehandicaptenzorg.
6.1.
De rechtbank wijst in de eerste plaats op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2025 over de eerdere visumaanvraag van 27 september 2023 van eiser met hetzelfde doel. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat een tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd gelet op de geringe sociale en economische binding van eiser met Marokko. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat eiser ongehuwd is en geen kinderen heeft en dat de omstandigheid dat eisers ouders in Marokko wonen onvoldoende is. Ook is niet gebleken dat eiser zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen had die hem zouden dwingen om terug te keren. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat de minister het werk van eiser als studentencoach onvoldoende heeft mogen achten om een economische binding met Marokko aan te tonen.
6.2.
De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om anders te oordelen. De minister heeft in de nieuw aangevoerde omstandigheden en stukken geen aanleiding hoeven zien om alsnog uit te gaan van een zodanige sociale en economische binding van eiser met Marokko dat een tijdige terugkeer van eiser naar Marokko wordt gewaarborgd. De omstandigheden dat eiser student is, als studentcoach werkzaam is en cursussen volgt op het gebied van gehandicaptenzorg, zijn daarvoor onvoldoende. Deze omstandigheden maken niet dat de economische binding met zijn land van herkomst zodanig is dat eiser gehouden is om terug te keren. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser ook wisselend heeft verklaard of het gaat om werkzaamheden waarbij hij zwart geld verdient of dat het gaat om vrijwilligerswerk. Verder heeft de minister kunnen betrekken dat het eiser zijn stelling dat hij een stuk land heeft gekocht om een woning op te bouwen, niet heeft onderbouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat eisers baan als studentencoach inmiddels betaald werk is en dat hij het stuk land geschonken heeft gekregen. Deze stellingen zijn ook niet onderbouwd en worden vanwege de ex-tunc toetsing ook niet betrokken bij het oordeel van de rechtbank. In zoverre slaagt het beroep van eiser niet en kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de minister de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Voor een vergoeding van de kosten van eiser in bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.