Eiser diende op 8 januari 2024 een asielaanvraag in, die door de minister op 18 september 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat Zuid-Afrika als veilig derde land werd beschouwd. Eiser betwistte deze beslissing en voerde aan dat Zuid-Afrika onveilig is, met name voor LHBTI-personen zoals hijzelf.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser een band heeft met Zuid-Afrika, waar hij vijf jaar verbleef en een asielaanvraag indiende. De minister stelde dat Zuid-Afrika de internationale mensenrechtenverdragen naleeft, geen schending van het refoulementverbod plaatsvindt en dat LHBTI-rechten wettelijk zijn beschermd.
Eiser voerde aan dat de praktijk anders is en dat hij geen bescherming kan krijgen, maar de rechtbank vond dat de minister voldoende onderbouwing gaf dat Zuid-Afrika een veilig derde land is. De minister nam ook de nationale interventiestrategie en veroordelingen van haatmisdrijven jegens LHBTI-personen mee in haar beoordeling.
De rechtbank concludeert dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.