ECLI:NL:RBDHA:2026:4131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6238
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel eerder getoetst en verklaarde deze rechtmatig tot het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds dat moment nog rechtmatig is. Eiser stelde dat de minister de schriftelijke rappels aan de Marokkaanse autoriteiten had moeten toevoegen aan het dossier en dat de maximale bewaringstermijn was overschreden vanwege eerdere bewaring in 2017. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende op het individu gericht heeft gehandeld door schriftelijke rappels te versturen en dat het beroep op het arrest Multan niet relevant is.

Verder stelt de rechtbank vast dat de maximale bewaringstermijn nog niet is overschreden, ondanks eerdere bewaring in 2017, omdat het Hof van Justitie nog geen arrest heeft gewezen en de huidige bewaringstermijn nog binnen de toegestane periode valt. De ambtshalve toetsing levert geen andere conclusie op. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

De minister heeft op 20 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 januari 2026. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 30 januari 2026. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 27 januari 2026) rechtmatig is.
Had de minister de schriftelijke rappels moeten toevoegen aan het dossier?
3. Eiser betoogt dat de minister de schriftelijke rappels had moeten toevoegen aan het dossier. Eiser wijst hierbij op het arrest Multan [4] waarin is overwogen dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging het recht omvat van openbaarmaking van voor de verdediging relevante documenten. Daarnaast wijst eiser op het arrest Landkreis Gifhorn [5] waaruit volgt dat de inspanningsplicht van de minister een op het individu gericht handelen vergt. Het sturen van een algemeen bericht aan de ambassade in de vorm van een rappel getuigt niet van een dergelijke op het individu gerichte inspanning.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het voortgangsrapport van 5 februari 2026 blijkt dat de rappels zijn verstuurd aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen reden om aan dit overzicht van de schriftelijke rappels te twijfelen. Het beroep op het arrest Multan treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, aangezien dit arrest gaat over geheimhouding van stukken. Dit is in deze zaak niet aan de orde. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het versturen van rappels een voldoende op het individu gericht handelen betreft en op dit moment voldoende is voor het oordeel dat de minister voortvarend handelt.
Is de maximale bewaringstermijn overschreden?
4. Eiser betoogt dat hij in 2017 al een periode van zes maanden in bewaring heeft gezeten. Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak Aroja [6] volgt dat eerdere perioden van bewaring meetellen voor de berekening van de maximale termijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het Hof van Justitie in de zaak Aroja nog geen arrest heeft gewezen. Er bestaat slechts een conclusie van de Advocaat-Generaal waarin wordt aangegeven dat eerdere perioden van bewaring zouden moeten meetellen bij de berekening van de maximale termijn van inbewaringstelling. Nog daargelaten of het Hof de conclusie van de Advocaat-Generaal zal volgen, stelt de rechtbank vast dat de maximale termijn voor inbewaringstelling nog niet is overschreden. Eiser heeft in 2017 zes maanden in bewaring gezeten en zit op basis van onderhavige maatregel bijna drie maanden in bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:463.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1603.
3.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.HvJEU 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2026:53.
5.HvJEU 10 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:178.
6.Conclusie van Advocaat-Generaal L. Medina van 4 september 2025, zaak C‑150/24 (
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.