ECLI:NL:RBDHA:2026:3974

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
26-814
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen afwijzing handhavingsverzoek zendmasten en niet-ontvankelijkverklaring bezwaar

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van Katwijk om handhavend op te treden tegen straling van zendmasten op een locatie. Het college wees dit verzoek af. Eiseres maakte bezwaar, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening van de bezwaargronden. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de aanvullende bezwaargronden tijdig bij de rechtbank waren ingediend en de rechtbank deze tijdig aan het college had doorgezonden. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De voorzieningenrechter besloot vervolgens het bezwaar inhoudelijk te beoordelen om een finale geschilbeslechting te bereiken. Uit de inhoudelijke beoordeling bleek dat het college het handhavingsverzoek terecht had afgewezen, omdat de zendmasten vergunningvrij geplaatst mochten worden en het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de straling. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur had bovendien vastgesteld dat de stralingsniveaus onder de norm bleven.

Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het afwijzende handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard, maar het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/8742 en 26/814
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk,

(gemachtigde: mr. A.C. van der Gugten).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[stichting], te [plaats] (belanghebbende).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiseres. Eiseres is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen het afwijzende besluit van het college. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit stand kan houden.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft het handhavingsverzoek echter terecht afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Op 3 oktober 2025 heeft eiseres het college verzocht handhavend op te treden tegen straling die afkomstig is van zendmasten op de locatie [adres] .
2.1.
Het college heeft dit verzoek met het besluit van 23 oktober 2025 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op
11 december 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 25/8742). Met dat verzoek heeft zij tevens de gronden van bezwaar overgelegd.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaargronden niet tijdig zijn ingediend. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/814), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en heeft schriftelijke vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
2.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres
niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaargronden niet tijdig zijn ingediend. In het bestreden besluit is overwogen dat eiseres op 30 november 2025 een pro forma bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit van 23 oktober 2025. Eiseres is vervolgens tot 18 december 2025 in de gelegenheid gesteld om de inhoudelijke bezwaargronden aan te leveren. Eiseres heeft niet tijdig haar gronden van bezwaar ingediend. Gebleken is dat de aanvullende gronden naar een verkeerd postadres zijn verstuurd, aldus het college.
Vooronderzoek
4. De voorzieningenrechter heeft het college voorafgaand aan de zitting verzocht te reageren op de stelling dat de aanvullende gronden van bezwaar tijdig zijn ingediend, aangezien die op 11 december 2025, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, door de rechtbank zijn ontvangen. Tevens is het college daarbij verzocht om aan te geven hoe de bezwaargronden inhoudelijk zouden zijn beoordeeld indien het bezwaar ontvankelijk zou zijn geacht.
4.1.
In zijn reactie van 6 februari 2026 heeft het college aangegeven dat het sturen van de aanvullende gronden naar een verkeerd postadres voor rekening en risico van eiseres moet komen. Het college blijft dan ook bij het standpunt dat eiseres haar inhoudelijke bezwaargronden buiten de daarvoor gestelde termijn heeft aangeleverd en het bezwaarschrift van eiseres daarom op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.
Verder mogen naar de mening van het college de zendmasten vergunningvrij worden geplaatst en bestaat gelet op de verrichte stralingsmetingen geen aanleiding om op te treden tegen de straling afkomstig van de zendmasten, voor zover het college daartoe al bevoegd zou zijn. Van gevaar voor de gezondheid is volgens het college in zoverre dan ook geen sprake.
Toetsingskader
5. In artikel 6:15, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
5.1.
In artikel 6:15, derde lid, van de Awb is bepaald dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
6. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 april 2008 [2] , was eveneens de situatie aan de orde dat de aanvullende gronden van bezwaar bij een verkeerde instantie – de rechtbank – waren ingediend. De CRvB heeft in die zaak met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15, derde lid, van de Awb het tijdstip van indiening van de fax bij de rechtbank bepalend geacht voor het antwoord op de vraag of de gronden van het bezwaar tijdig zijn ingediend bij het bestuursorgaan waar het bezwaar aanhangig was. Vervolgens heeft de CRvB geoordeeld dat het bezwaar ten onrechte
niet-ontvankelijk is verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bestuursorgaan opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.1.
Het college heeft op de zitting gesteld dat artikel 6:15, derde lid, Awb in dit geval niet van toepassing is, omdat de rechtbank de gronden van bezwaar niet expliciet onder verwijzing naar deze bepaling naar het college heeft doorgestuurd. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet, nu uit de uitspraak van de CRvB van 25 april 2008 volgt dat daadwerkelijke doorzending van de aanvullende gronden van bezwaar niet noodzakelijk is voor de overeenkomstige toepassing van artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Bovendien staat vast dat de griffier het verzoek om voorlopige voorziening samen met bijlagen, waaronder de gronden van bezwaar van 11 december 2025, bij brief van
18 december 2025 aan het college heeft gezonden. Voordat op het bezwaar werd beslist had het college daarom al kennis kunnen nemen van de gronden van het bezwaar, die binnen de daarvoor gestelde termijn door de rechtbank waren ontvangen. Het college heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat de gronden van bezwaar niet tijdig zijn ingediend.
6.2.
Gelet hierop is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en zal dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb worden vernietigd.
Is er reden voor de voorzieningenrechter om het bezwaar inhoudelijk te beoordelen?
7. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar inhoudelijk te beoordelen, omdat het (1) hier gaat om de afwijzing van een handhavingsverzoek en (2) zowel eiseres als het college op de zitting hebben aangegeven dat zij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar wensen en er de voorkeur aan geven om de bezwaarprocedure niet opnieuw te doorlopen.
7.1.
Gelet hierop en op hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 20 augustus 2025 [3] , zal de voorzieningenrechter, mede met het oog op een finale geschilbeslechting, in dit geval de gronden van bezwaar inhoudelijk beoordelen.
Heeft het college het handhavingsverzoek terecht afgewezen?
8. Aangezien het bezwaar zich richt tegen de afwijzing van een handhavingsverzoek, kan het college dat verzoek slechts honoreren als komt vast te staan dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en het college ook bevoegd is tot handhaving van dat voorschrift.
8.1.
Eiseres beroept zich op artikel 1 van Pro de Grondwet, op bepalingen van het
VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
8.2.
De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de door eiseres genoemde bepalingen op zichzelf van betekenis kunnen zijn bij overheidshandelen met betrekking tot personen die kampen met elektrohypersensitiviteit (EHS). De voorzieningenrechter ziet echter niet in dat het plaatsen van de zendmasten een overtreding oplevert van de door eiseres genoemde bepalingen. Eiseres heeft dit ook niet concreet gemaakt.
8.3.
Van een overtreding van omgevingsrechtelijke wettelijke voorschriften is ook niet gebleken. Naar eiseres niet heeft betwist kunnen de zendmasten vergunningvrij worden geplaatst, zodat het college niet op basis van een omgevingsvergunning voorwaarden kan stellen aan de plaatsing en locatie van de zendmasten. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in zoverre een uit de Omgevingswet voortvloeiende zorgplicht niet heeft onderkend.
8.4.
Daarnaast volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het college dat bij eventuele strijdigheid met de geldende normen voor elektromagnetische straling niet hij, maar de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) de toezichthoudende instantie is met betrekking tot stralingsnormen, die zo nodig handhavend moet optreden. Uit het dossier blijkt dat de RDI op 16 juni 2025 metingen heeft verricht in de woning van eiseres en in haar voortuin. In het rapport van 3 juli 2025 heeft de RDI geconcludeerd dat de stralingsniveaus in de woning en voortuin van eiseres onder de geldende stralingsnormen blijven.
8.5.
Het betoog van eiseres dat zij ook nadelige gevolgen ondervindt van straling die onder de norm valt, kan niet leiden tot het oordeel dat het handhavingsverzoek had moeten worden toegewezen. Gelet op wat hiervoor onder 8.3 en 8.4 is overwogen volgt de voorzieningenrechter het college in het standpunt dat het niet beschikt over een publiekrechtelijke bevoegdheid om handhavend op te treden.
8.6.
De slotsom is dan ook dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, zodat het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2025 ongegrond zal worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit van 7 januari 2026 in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 oktober 2025 ongegrond. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het door eiseres in zaak
SGR 26/814 betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 januari 2026;
- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 oktober 2025 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het door eiseres in zaak SGR 26/814 betaalde griffierecht van
€ 200,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.