In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 12 januari 2026, gaat het om een beroep dat is ingediend door een eiser tegen de minister van Asiel en Migratie. De eiser had op 1 december 2022 een asielaanvraag ingediend, maar de minister had niet tijdig beslist. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet heeft gereageerd op een verzoek van de eiser om binnen twee weken alsnog te beslissen. Hierdoor is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de minister alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag, waarbij rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. In dit geval, gezien de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden, legt de rechtbank een kortere beslistermijn op van vier weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de uitspraak. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 467,-.