AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Wijziging kinderalimentatie na geboorte derde kind en gewijzigde draagkracht
Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen die bij de vrouw verblijven. De man verzoekt wijziging van de kinderalimentatie wegens de geboorte van een derde kind, daling van zijn inkomsten door zorg en medische klachten, en gestegen woonlasten.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:401 BWPro. De man heeft een derde kind gekregen en zijn financiële situatie is gewijzigd. De vrouw betwist deels de zorglast en de hoogte van de woonlasten.
De rechtbank stelt de draagkracht van de man vast op basis van gemiddelde winst uit onderneming over 2023-2025, rekening houdend met aflossingen en woonbudget. De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld op €50 per maand. Er is een tekort in de behoefte van de kinderen, waarop een zorgkorting van 25% wordt toegepast.
De gewijzigde kinderalimentatie wordt vastgesteld op €292 per maand per kind, ingaande 27 januari 2026. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie naar €292 per maand per kind met ingang van 27 januari 2026.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2810
FA RK 25-4221 (223 Rv)
Zaaknummer: C/09/683604
C/09/686408 (223 Rv)
Datum beschikking: 27 januari 2026
Kinderalimentatie
Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft in beide procedures kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift;
het F9-formulier van 18 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
het F9-formulier van 21 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 30 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man met zijn advocaat;
de vrouw met haar advocaat.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats].
De kinderen verblijven bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2023 is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat voortaan aan de man en de vrouw het gezamenlijk gezag toekomt over de minderjarigen;
- bepaald dat de kinderen bij de man zijn:
- iedere woensdagmiddag uit school tot 19.00 uur;
- om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond;
- gedurende de helft van de schoolvakanties in onderling overleg te verdelen;
- een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 336,50 per kind per maand, met ingang van 2 mei 2023 telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2025 € 411,- per kind per maand.
Verzoek en verweer
In de procedure met zaaknummer C/09/686408:
Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 3 mei 2023 – voor de duur van de bodemprocedure:
primairmet ingang van datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank te bepalen datum, de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie op te schorten totdat de rechtbank in de hoofdzaak een eindbeschikking zal hebben gegeven, subsidiairde door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie met ingang van datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank te bepalen datum vast te stellen op € 50,- per kind per maand;
te bepalen dat de vrouw de door haar na de door de rechtbank te bepalen datum van wijziging van de kinderalimentatie teveel geïncasseerde alimentatie aan de man dient terug te betalen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaaknummer C/09/683604:
Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 3 mei 2023 –:
met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank te bepalen datum, de kinderalimentatie op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
te bepalen dat de vrouw de door haar na uw rechtbank te bepalen datum van wijziging van de kinderalimentatie teveel geïncasseerde alimentatie aan de man dient terug te betalen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling
In de procedure met zaaknummer C/09/686408:
Op grond van het eerste lid van artikel 223 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 RvPro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BWPro. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is deels tussen partijen in geschil.
De man vindt dat de kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Hij heeft na het wijzen van de beschikking een zoon gekregen waar hij onderhoudsplichtig voor is en hij moet zijn draagkracht dus over drie kinderen verdelen in plaats van over twee. Een andere reden voor wijziging is dat de man te kampen heeft met een daling van zijn inkomsten, terwijl zijn lasten zijn gestegen. De man werkt minder doordat hij meer zorg draagt voor alle drie zijn kinderen en doordat hij fysieke klachten heeft die hem belemmeren in zijn werk als stukadoor. Hierdoor is zijn winst lager ten opzichte van de cijfers uit de vorige alimentatieberekening. Zijn woonlasten zijn aanzienlijk gestegen. Tot slot heeft de man op dit moment te maken met schulden die afgelost moeten worden.
De vrouw betwist allereerst dat de man veel zorg draagt voor de kinderen. [minderjarige 1] gaat al een tijdje niet meer naar de man en de partner van de man vangt de kinderen vaak op. De vrouw betwist ook de hogere hypotheeklasten. Ten tijde van de scheiding wilde de vrouw graag dat de gezamenlijke woning verkocht werd aan een derde, maar de man wilde de woning overnemen, terwijl het alimentatiebedrag al bekend was. Het is een bewuste keuze die niet ten laste van de kinderen moet komen. De vrouw betwist niet dat de man opnieuw vader is geworden, maar vindt wel dat de nieuwe partner ook onderhoudsplichtig is voor het nieuwe kind. Van haar zijn geen financiële stukken overgelegd.
De rechtbank oordeelt dat er in dit geval sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BWPro. De man heeft inmiddels een derde kind gekregen. Daarnaast heeft de man belastingaanslagen gekregen over het jaar 2021 en 2022, die bij hem binnenkwamen in november 2023 en februari 2024, dus na de vorige beschikking. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in zijn verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum vast te stellen. Door de man is verzocht als ingangsdatum te hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 8 april 2025. Ter zitting heeft de man aangegeven dat dat wat eventueel te veel betaald is sindsdien niet terugbetaald hoeft te worden en zijn verzoek daarover heeft hij ingetrokken. De rechtbank zal gelet op dit laatste de datum van de beschikking als ingangsdatum bepalen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte die in de vorige beschikking is vastgesteld geïndexeerd kan worden. In 2023 was de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 449,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte dan € 531,- per kind per maand, samen € 1.062,-.
De rechtbank merkt op dat de man geen financiële gegevens heeft overgelegd op basis waarvan de behoefte van het derde kind van de man berekend kan worden.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een Ziektewetuitkering van € 789,- bruto per maand. Dit bedrag is door de man niet betwist.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 1.481,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man moet er volgens de man uitgegaan worden van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2019 tot en met 2021 en 2024. Reden hiervoor is dat de man in de jaren 2022 en 2023 meer werkte dan in andere jaren, om de vrouw uit te kunnen kopen uit de echtelijke woning. Ook met de gegevens over 2025 moet de rechtbank volgens de man geen rekening houden. Hij heeft veel uren gewerkt omdat hij (hoge) schulden heeft, maar dit kan hij niet blijven doen. Medisch gezien is het lastig voor hem zoveel te werken. Daarnaast redt de man het vanwege de zorg voor de kinderen niet om veel te werken, zeker omdat hij voor [minderjarige 1] naar afspraken moet voor haar hulpverlening.
De vrouw is het niet eens met het standpunt van de man. De vrouw is van mening dat de man een hoog uitgavenpatroon heeft dat niet passend is bij de door hem gestelde hoge schulden. De kinderen mogen niet de dupe zijn van de keuzes die hij maakt. Daarnaast is het niet zo dat de man veel tijd kwijt is aan de zorg voor de kinderen. [minderjarige 1] gaat al een tijdje niet naar de man, en [minderjarige 2] gaat op de woensdag en om de week een weekend. De man kan daaromheen gewoon werken. Tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat de man nog een tweede onderneming is gestart, waar hij geen financiële gegevens van over heeft gelegd. Dit alles maakt dat zij het niet redelijk vindt om met de door de man aangegeven jaren te rekenen.
De rechtbank overweegt als volgt. De man verzoekt geen rekening te houden met de cijfers over 2025 omdat hij, gelet op de zorg voor zijn drie kinderen en gelet op zijn medische klachten, niet meer in staat zou zijn om hetzelfde inkomen als in 2025 te genereren. De man heeft zijn medische klachten echter niet met bewijsstukken onderbouwd. Ook heeft hij, tegenover de betwisting door de vrouw niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij, anders dan voorheen, zoveel tijd kwijt is aan de zorg voor de kinderen dat zijn inkomen gedaald is. Afspraken in het kader van de begeleiding van [minderjarige 1] zijn niet aangetoond, en ook de frequentie van deze afspraken niet. Ook had de man tot voor kort een partner thuis die niet werkte en kon helpen met de zorg voor de kinderen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens zijn balans per 21 oktober 2025 zijn omzet in 2025 aanzienlijk is gestegen ten opzichte van 2024. Het is de man ondanks zijn medische klachten en de zorgtaken dus gelukt meer uren te werken dan de voorgaande jaren. Daarnaast is gebleken dat er bij de Kamer van Koophandel nog een verhuisbedrijf op het adres van de man staat geregistreerd. De man heeft gesteld dat dit bedrijf geen activiteiten en geen inkomen oplevert, maar hij heeft hierover niets aangetoond. Bij het raadplegen van de website van het bedrijf van de man blijkt dat het bedrijf zich actief aan potentiële klanten aanbiedt en dat klanten contact kunnen opnemen als ze van zijn diensten gebruik willen maken.
Dit alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om met andere jaren dan de afgelopen drie kalenderjaren te rekenen. De rechtbank gaat daarom uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Voor 2025 geldt dat hij tot en met oktober een winst uit onderneming van € 90.474,- heeft gehad. Omgerekend naar 12 maanden bedraagt de winst uit onderneming in 2025 dan € 108.896,-. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dus uit van een bedrag van € 84.458,- aan gemiddelde winst uit onderneming (€ 88.993,- + € 55.485,- + € 108.896,- / 3).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstvrijstelling en heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.762,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of er aan de zijde van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. Door de man is namelijk aangevoerd dat hij een hoge hypotheek heeft van ongeveer € 2.000,- per maand, die hij alleen moet aflossen, en daarnaast draagt hij nog alle vaste lasten. De vrouw vindt het niet redelijk dat wordt afgeweken van het woonbudget. De man heeft er volgens haar zelf voor gekozen om een hogere hypotheek te nemen om zijn huis te verbouwen (en haar uit te kopen destijds). Dat hij deze keuze gemaakt heeft moet niet ten nadele van de kinderen komen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De man heeft niet betwist dat hij een hogere hypotheek heeft genomen voor de verbouwing. De man is de hogere woonlast dus aangegaan terwijl hij bekend was met zijn onderhoudsverplichting richting de kinderen.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht daarom de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.762 – (1.429 + 1.365)] =
€ 1.378,-.
De man heeft gesteld dat hij schulden heeft. Deze schulden zijn ontstaan in de periode dat partijen samen waren. Over 2021 is er een aanslag van €11.846,- en over 2022 een aanslag van € 28.211,-. De rechtbank overweegt dat hoewel de man niet heeft aangetoond dat, en zo ja met welk bedrag, hij daadwerkelijk aflost op deze schulden, het vast staat dat hij ze op enig moment zal moeten aflossen. De rechtbank vindt het daarom redelijk om met een bedrag aan aflossing rekening te houden. Op de zitting heeft de man gezegd dat een deel van de schuld verrekend wordt met de hypotheekrenteaftrek waar hij aanspraak op kan maken, maar ook dit is niet onderbouwd of gespecificeerd met een bedrag. De rechtbank kijkt daarom naar de draagkrachtberekening die door het LBIO gemaakt is. Daar is aan de zijde van de man een aftrekpost van € 5.585,- per jaar opgenomen, € 465,- per maand. De man rekent zelf in zijn berekening met een bedrag van € 500,- aan aflossing. Omdat dit bedrag in de buurt zit bij het bedrag waar door het LBIO mee gerekend wordt, zal de rechtbank uitgaan van een aflossing van € 500,-.
Er resteert dan een draagkracht aan de zijde van de man van: 70% x [4.762 – (1.439 + 1.356 + 500)] = € 1.028,-. De man heeft drie kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Omdat ten aanzien van het derde kind van de man geen behoefte kan worden vastgesteld, zal de rechtbank de draagkracht van de man zoals door hem verzocht delen door drie. De vrouw heeft dit voorstel van de man niet betwist. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] resteert daarom een draagkracht van € 685,-.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders gezamenlijk is € 735,- (€ 50,- + € 685,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 327,- per maand
(€ 1.062,- - € 735,-).
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de geldende zorgregeling zal de rechtbank een zorgkorting van 25% hanteren, voor beide kinderen. De man ziet [minderjarige 1] kennelijk al vier maanden niet, maar het is onduidelijk of dat een definitieve situatie is. De rechtbank zal daarom ook voor haar van een zorgkorting van 25% uitgaan.
De zorgkorting bedraagt dan € 266,-. (25% van € 1.062,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 327,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met een zorgkorting van € 102,- (€ 266,- - € 164,-).
Conclusie
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt op basis van het voorgaande € 583,- per maand (€ 685,- - € 102,-), zijnde € 292,- per maand per kind. De rechtbank zal dit gewijzigde bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 27 januari 2026.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 3 mei 2023 – :
bepaalt de door de man met ingang van 27 januari 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats], op € 292,- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 januari 2026.