De zaak betreft een verzoek van een gedetineerde die stelt dat hij op 3 maart 2015 tijdens zijn detentie in de Penitentiaire Inrichting ernstig mishandeld is door medewerkers van de PI. Hij vordert een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de onrechtmatige geweldsaanwending en alle daaruit voortvloeiende schade.
De rechtbank beoordeelt dit verzoek in een deelgeschilprocedure en concludeert dat het verzoek een deelgeschil betreft dat kan bijdragen aan het bereiken van een minnelijke regeling. De bewijslast voor de mishandeling en de schade ligt in beginsel bij de verzoeker, en de rechtbank ziet geen reden om deze bewijslast om te keren.
Uit de verklaringen van de Staat blijkt dat de verzoeker zich verzette tegen een verplichte medische intake, waarbij hij personeel uitschold, bedreigde en zich fysiek verzette. Het toegepaste geweld was volgens de rechtbank noodzakelijk en proportioneel om de veiligheid van personeel te waarborgen. De rechtbank oordeelt dat de verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat het geweld buitenproportioneel of onrechtmatig was.
De rechtbank wijst het verzoek af en begroot de kosten van de deelgeschilprocedure op €4.777,75, die alleen door de Staat betaald hoeven te worden indien aansprakelijkheid alsnog wordt vastgesteld. Een tegenverzoek van de Staat tot veroordeling van de verzoeker in de kosten wordt eveneens afgewezen.