ECLI:NL:RBDHA:2026:3846
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij broer
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar broer in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat er geen bijkomende afhankelijkheid was tussen eiseres en haar meerderjarige broers, noch hechte persoonlijke banden met haar minderjarige broers en zussen. Wel werd gezinsleven aangenomen met haar ouders, maar de belangenafweging viel nadelig uit voor eiseres.
Eiseres betoogde dat er wel gezinsleven en afhankelijkheid bestond en dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met de gedwongen scheiding en de situatie van haar gezin in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het peilmoment van het besluit hanteerde en alle relevante feiten en omstandigheden meenam, waaronder de ontwikkeling van de situatie sinds het vertrek van het gezin.
De rechtbank vond dat de minister terecht geen exclusieve afhankelijkheid eiste en dat het ontvangen van financiële steun van meerdere familieleden het ontbreken van bijkomende afhankelijkheid rechtvaardigde. De belangenafweging was zorgvuldig en hield rekening met het economisch belang van de staat, het restrictieve toelatingsbeleid en de beperkte binding van eiseres met Nederland.
De rechtbank concludeerde dat de minister de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres liet uitvallen en dat de overgelegde salarisspecificaties geen aanleiding gaven tot een ander oordeel omdat deze betrekking hadden op een periode na het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.